C-259/13 Recinto-Pfingsten (hervat na wijzing van het arrest in de zaak C-328/12 Schmidt)

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   28 juni 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   14 juli 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   14 augustus 2013
Trefwoorden: luchtvaart; compensatie luchtpassagiers; luchtvervoerovereenkomst EG/Zwitserland

Onderwerp
- Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, van 21 juni 1999 (Pb L 114, blz. 73)
- Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46, blz. 1)

Verzoekster Elena Recinto-Pfingsten boekt bij Swiss International Air Lines AG, verweerster, gevestigd in Basel/ZWI voor 03-02-2011 een vlucht van Frankfurt/Main naar Zürich en een direct aansluitende vlucht van Zürich naar Yaundé/Kameroen met een tussenstop in Duala. Ze arriveert op tijd in Zürich maar de vervolgvlucht heeft meer dan zes uur vertraging. De vlucht eindigt vervolgens in Duala; het stuk naar Yaundé wordt per bus afgelegd. Totale vertraging: meer dan twintig uur.
Verzoekster vordert een compensatie van € 600. De Rb wijst haar eis af, en ook in hoger beroep krijgt ze nul op request. De rechters oordelen dat de passagiersrechtenverordening niet van toepassing is omdat de vertraagde vlucht niet vanaf een EU-vliegveld is vertrokken, en ook de luchtvaartmaatschappij niet in de EU is gevestigd.

De verwijzende DUI rechter (Bundesgerichtshof) behandelt deze zaak in de herzieningsprocedure. Uit eerdere jurisprudentie concludeert hij dat er een causaal verband moet bestaan tussen een niet volgens plan verlopen vlucht en het tijdverlies op de eindbestemming. Die vlucht moet dan binnen de werkingssfeer van de passagiersrechtenverordening vallen. Passagiers op een vlucht moeten als een ‘collectief’ worden beschouwd, zij mogen niet verschillend worden behandeld. Dat betekent dat de behandeling niet mag afhangen van een mogelijk vluchttraject dat zij voor de litigieuze vlucht hebben afgelegd.
Door een besluit (nr 1/2006) gebaseerd op de overeenkomst met ZWI over luchtvervoer is de passagiersrechtenVo sinds 01-12-2006 ook in ZWI van toepassing. De vraag is dan of vluchten die vertrekken vanaf een luchthaven in ZWI en waarvan de bestemming in een derde land ligt onder de werking van de Vo vallen. ZWI rechters zijn echter van mening dat de Vo alleen toepassing vindt indien de bestemming van de vlucht binnen de EU ligt.
Gezien deze twijfel over de juiste uitleg van de passagiersrechtenVo legt hij het HvJEU de volgende vraag voor:
“Moet de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, van 21 juni 1999, in de versie van besluit nr. 2/2010 van het Comité Luchtvervoer Europese Unie/Zwitserland, van 26 november 2010, aldus worden uitgelegd dat verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 overeenkomstig artikel 3, lid 1, sub a, ervan ook geldt voor passagiers die van luchthavens in Zwitserland vertrekken voor een vlucht naar een derde land?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-173/07 Emirates Airlines; C-402/07 Sturgeon ea; C-581/10 Nelson ea; C-11/11 Folkerts ea
Specifiek beleidsterrein: IenM