C-260/13 Aykul

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   28 juni 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   14 juli 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   14 augustus 2013
Trefwoorden: rijbewijzen

Onderwerp
- Richtlijn 91/439 van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (Pb L 237, blz. 1);
- Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (Pb L 403, blz. 18)

Verzoekster is de in OOS wonende OOS staatsburger Sevda Aykul. Zij wordt tijdens een rit door DUI bij een politiecontrole aangehouden als bestuurster van een personenauto. Zij is in bezit rijbewijs B. Aangezien verzoekster de indruk wekt onder invloed van drugs te zijn wordt haar een test afgenomen, waaruit blijkt dat zij een hoog gehalte aan werkzame stof uit de hennepplant in haar bloed heeft. Zij wordt vervolgd, krijgt een geldboete en haar rijbewijs wordt voor het grondgebied van DUI ongeldig gemaakt. Tegen deze sanctie maakt verzoekster bezwaar, dat wordt afgewezen. Zij wendt zich dan tot de rechter omdat zij van mening is dat de DUIaut niet bevoegd zijn haar rijgeschiktheid te controleren. Dit behoort tot de taak van de lidstaat van afgifte. De OOSaut hadden al verklaard geen actie jegens haar te zullen ondernemen omdat de toestand van verzoekster niet zodanig was dat zij daarmee voldeed aan de OOS voorwaarden voor ingrijpen.
Verweerder (Land Baden-Württemberg) meent dat RL 2006/126 zich niet verzet tegen intrekking van het OOS rijbewijs. Doel van de rijbewijsrichtlijnen is immers het verhogen van de verkeersveiligheid. Stilzitten van de DUIaut in geval van rijden onder invloed van drugs zou daarmee niet te verenigen zijn.

De verwijzende DUI rechter vraagt zich af of de DUI regelgeving verenigbaar is met EU-recht, zoals daar is het territorialiteitsbeginsel van artikel 11 van RL 2006/126. Ij legt de volgende vragen aan het HvJEU voor:
1) Verzet de uit artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/126/EG voortvloeiende verplichting tot onderlinge erkenning van de door de lidstaten afgegeven rijbewijzen zich tegen een nationale regeling van de Bondsrepubliek Duitsland, volgens welke het recht om in Duitsland gebruik te maken van een buitenlands rijbewijs, achteraf langs administratieve weg moet worden ontzegd, wanneer de houder van het buitenlandse rijbewijs met dat rijbewijs in Duitsland onder invloed van illegale drugs een motorvoertuig bestuurt en bijgevolg krachtens de Duitse voorschriften niet meer rijgeschikt is?
2) Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, geldt dit dan ook wanneer de staat van afgifte op de hoogte is dat onder invloed van drugs is gereden, en niets doet, waardoor het van de houder van het buitenlandse rijbewijs uitgaande gevaar blijft bestaan?
3) Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, mag de Bondsrepubliek Duitsland het dan afhankelijk stellen van de naleving van de nationale voorwaarden om het recht om in Duitsland gebruik te maken van het buitenlandse rijbewijs opnieuw te verlenen?
4) a. Kan het in artikel 11, lid 2, van richtlijn 2006/126/EG vervatte voorbehoud van de naleving van het territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen rechtvaardigen dat een lidstaat krachtens zijn rijbewijswetgeving in plaats van de staat van afgifte optreedt? Staat het voorbehoud bijvoorbeeld de ontzegging achteraf toe van het recht om in Duitsland gebruik te maken van het buitenlandse rijbewijs door middel van een strafrechtelijke veiligheidsmaatregel?
b. Indien het antwoord op vraag 4a bevestigend luidt, is dan, gelet op de verplichting tot erkenning, de lidstaat die de veiligheidsmaatregel heeft opgelegd dan wel de staat van afgifte, bevoegd om opnieuw het recht te verlenen om in Duitsland gebruik te maken van het buitenlandse rijbewijs?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-227/05 Halbritter; C-445/08 Wierer; C-467/10 Akyüz
Specifiek beleidsterrein: IenM

Gerelateerde documenten