C-265/13 Torralbo Marcos

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   2 juli 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   18 juli 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   18 augustus 2013
Trefwoorden: arbeid (ontslag; insolventie werkgever); handvest grondrechten; toegang tot de rechter

Onderwerp
- Handvest grondrechten (artikel 47 rechtsbijstand)
- Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever

Verzoeker Emiliano Torralbo Marcos is ontslagen door zijn werkgever Korota, verweerder. Deze heeft voor het treffen van een schikking erkend dat het ontslag onrechtmatig was. De door verweerder voorgestelde financiële afwikkeling wordt door verzoeker aanvaard, de arbeidsovereenkomst wordt per februari 2012 beëindigd. Omdat verweerder sinds 2008 in een insolventieprocedure is verwikkeld loopt de tenuitvoerlegging van de overeenkomst echter niet volgens plan. Om toegang te krijgen tot de waarborginstantie die zijn ontslagvergoeding moet uitbetalen moet de insolventieprocedure worden afgerond.
In november 2012 verzet verzoeker zich dan ook tegen een besluit tot schorsing van de behandeling van die procedure. Verzoeker stelt dat de handelsrechter de met verweerder gesloten overeenkomst had goedgekeurd en de insolventie-procedure daarmee had beëindigd. Maar de behandelende (sociale) rechter verwerpt dit.
Verzoeker gaat tegen dat besluit in beroep. Omdat hij verzuimt het bewijs van betaling van de griffierechten te overleggen gelast de Rb dit binnen vijf dagen te doen. Ook tegen dit besluit gaat verzoeker in beroep omdat hij stelt recht op gratis rechtsbijstand te hebben (artikel 47 Handvest grondrechten).

De verwijzende SPA rechter vraagt zich af of de SPA regeling dat verzoeker griffierechten moet betalen voor de behandeling van zijn beroep tot voortzetting van de insolventie-procedure wel verenigbaar is met artikel 47 Handvest. Hij stelt drie vragen aan het HvJEU:
1. Verzet artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zich tegen de artikelen 1, 2, sub f, 3, lid 1, 4, lid 2, sub a, 4, lid 3, 5, lid 3, 6, 7, 8, lid 1, en 8, lid 2, van Ley 10/2012 de 20 de noviembre por la que se regulan determinadas tasas en el ámbito de la Administración de justicia y del Instituto Nacional de Toxicología y Ciencias Forenses (Spaanse wet 10/2012 van 20 november 2012 houdende regeling van bepaalde vergoedingen met betrekking tot de rechtsbedeling en het nationaal instituut voor toxicologie en forensische wetenschap), voor zover deze artikelen de nationale rechter niet de mogelijkheid bieden om
a) de griffierechten aan te passen of de evenredigheid ervan te beoordelen (wat betreft de rechtvaardiging die de staat aanvoert om deze rechten te vragen en de hoogte ervan als belemmering van de toegang tot een doeltreffende voorziening in rechte) met het oog op het verlenen van een vrijstelling,
b) rekening te houden met het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht, en c) het belang van het geding voor de partijen te beoordelen gelet op de omstandigheden, waarbij het ingestelde hoger beroep niet wordt behandeld wanneer deze rechten niet zijn betaald?
2. Verzet artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zich tegen de artikelen 1, 2, sub f, 3, lid 1, 4, lid 2, sub a, 4, lid 3, 5, lid 3, 6, 7, 8, lid 1, en 8, lid 2, van Ley 10/2012 de 20 de noviembre por la que se regulan determinadas tasas en el ámbito de la Administración de justicia y del Instituto Nacional de Toxicología y Ciencias Forenses, voor zover zij gelden voor een bijzondere procedure zoals de procedure in arbeidszaken, waarin het gebruikelijk is dat het Unierecht wordt toegepast als fundamenteel aspect van een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling in de Gemeenschap?
3. Kan, in het verlengde van de vorige vragen, een rechter als de verwijzende rechter een regeling als de aan de orde zijnde regeling buiten toepassing laten die de nationale rechter niet de mogelijkheid biedt om
a) de griffierechten aan te passen of de evenredigheid ervan te beoordelen (wat betreft de rechtvaardiging die de staat aanvoert om deze rechten te vragen en de hoogte ervan als belemmering van de toegang tot een doeltreffende voorziening in rechte) met het oog op het verlenen van een vrijstelling,
b) rekening te houden met het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht, en c) het belang van het geding voor de partijen te beoordelen gelet op de omstandigheden, waarbij het ingestelde hoger beroep niet wordt behandeld wanneer deze rechten niet zijn betaald?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-279/09 DEB
Specifiek beleidsterrein: VenJ
Mede SZW

Gerelateerde documenten