C-270/13 Haralambidis

Prejudiciële Hofzaak
Zie bijlage rechts voor de verwijzingsitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   9 juli 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   25 juli 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   25 augustus 2013
Trefwoorden: gelijke behandeling (nationaliteit); vrij verkeer werknemers; recht vrije vestiging

Onderwerp: 
- Handvest grondrechten
- VWEU artikel 45 (vrij verkeer werknemers); artikel 49 e.v. (vrije vestiging)
- Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376, blz. 36

In 2011 wordt verzoeker Haralambidis, van GRI nationaliteit, in ITA benoemd tot voorzitter van de havenautoriteit van Brindisi/ITA. Een ITA tegenkandidaat gaat in beroep tegen verzoekers benoemingsbesluit. Hij is van mening dat Haralambidis niet benoemd kon worden omdat hij niet aan het vereiste van ITA nationaliteit, van kracht voor alle openbare functies, voldoet. De rechter in eerste instantie wijst de vordering toe en verklaart het betreffende decreet nietig. Verzoeker gaat in hoger beroep bij de ITA RvS met name op grond van strijd van de ITA-regeling met VWEU artikel 45.4.
De havenautoriteit is een publiekrechtelijke rechtspersoon met een zekere bestuurlijke, budgettaire en financiële autonomie. In de ITA rechtsorde is verschillende keren aan de orde geweest wat de juridische status van de havenautoriteit is: een economisch of niet-economisch overheidsorgaan. Belangrijkste verschil is de winstdoelstelling van het economisch orgaan en het feit dat zij beheerst worden door het privaatrecht.
Het onderscheid kan van belang zijn voor de kwestie van verzoekers benoeming omdat in het privaatrecht niets is geregeld over benoeming buitenlanders.

De verwijzende ITA rechter (RvS) stelt mede op grond van ITA regelgeving vast dat de havenautoriteit een aanzienlijk aantal openbare taken vervullen. De ITA grondwet behoudt toegang tot de openbare dienst voor aan ITA staatsburgers (waarop wettelijke geregelde uitzonderingen mogelijk zijn en waarbij rekening moet worden gehouden met EU-recht). Om na te gaan of de ITA regeling al dan niet in strijd is met EU-regels besluit hij de volgende vragen aan het HvJEU te stellen:
1) Levert het beding waarin de functie van voorzitter van een havenautoriteit is voorbehouden aan Italiaanse staatsburgers discriminatie op grond van nationaliteit krachtens artikel 45 VWEU op, nu de uitzonderingsbepaling van artikel 45, lid 4, VWEU niet relevant lijkt voor het onderhavige geval [– benoeming van een staatsburger van een andere lidstaat van de Europese Unie tot voorzitter van een havenautoriteit, een rechtspersoon die kan worden gekwalificeerd als publiekrechtelijke instelling –] omdat deze bepaling ziet op [...] betrekkingen in overheidsdienst (in het onderhavige geval [...] niet van toepassing) en de vertrouwensfunctie van voorzitter van een havenautoriteit – niettemin – kan worden opgevat als „werkzaamheden” in ruime zin [...]?
2) Kan het vervullen van de functie van voorzitter van een Italiaanse havenautoriteit door een staatsburger van een andere lidstaat van de Europese Unie – anderszins – onder het recht van vestiging van artikel 49 e.v. VWEU worden gebracht en levert het verbod naar nationaal recht om deze functie te vervullen voor een persoon die geen Italiaans staatsburger is, een geval van discriminatie op grond van nationaliteit op, of is deze omstandigheid uitgesloten van het voornoemde artikel 51 VWEU?
3) Kan het vervullen van de functie van voorzitter van een Italiaanse havenautoriteit door een staatsburger van een andere lidstaat van de Europese Unie – subsidiair – worden gekwalificeerd als verrichten van een „dienst” in de zin van richtlijn 2006/123/EG, is de uitsluiting van havendiensten van de werkingssfeer van de richtlijn in casu van belang en – indien dat niet het geval is – levert het verbod naar nationaal recht om deze functie te vervullen discriminatie op grond van nationaliteit op?
4) Meer subsidiair: kan het vervullen van de functie van voorzitter van een Italiaanse havenautoriteit door een staatsburger van een andere lidstaat van de Europese Unie, mocht dat niet onder de hierboven genoemde rechtsfiguren vallen, in de zin van artikel 15 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in algemenere zin worden opgevat als een voorrecht dat deel uitmaakt van het recht van de gemeenschapsburger om „te werken, zich te vestigen of diensten te verrichten in iedere lidstaat”, ook ongeacht de bijzondere „sector”bepalingen in de artikelen 45 en 49 e.v. VWEU, alsook in richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt, en is het verbod naar nationaal recht om deze functie te vervullen in strijd met het eveneens algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit van artikel 21, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

Specifiek beleidsterrein: BZK
Mede VenJ

Gerelateerde documenten