C-280/13 Barclays Bank

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   5 juli 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   21 juli 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   21 augustus 2013
Trefwoorden: consumentenbescherming

Onderwerp
- Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen en de gemeenschapsrechtelijke beginselen van consumentenbescherming en contractueel evenwicht

Verzoekster wendt zich in 2010 tot de rechter om over te gaan tot executie van verhypothekeerde onroerende zaken die op naam staan van Sara Sánchez García en Alejandro Chacón Barrera, beiden woonachtig op Palma de Mallorca. De totale schuld bestaat uit een lening van € 153.049,08-, in 2005 uitgegeven door de rechtsvoorganger van verzoekster en in 2007 door verzoekster aangepast (‘betere financiële voorwaarden’ en een verhoging van de hoofdsom). Bij de openbare verkoop komt geen overeenkomst tot stand, dus verkrijgt verzoekster het pand voor 50% van de taxatiewaarde, zoals op dat moment de regel in het SPA BRv voorschreef. Er blijft een aanzienlijke restschuld over, totaal inclusief kosten is het € 95.944,11 die verzoekster graag alsnog wil innen. Verweerders verzetten zich tegen de door de rechter aan verzoekster toegewezen executie, met name omdat het taxatierapport door de bank zelf wordt opgesteld. Ook voeren zij misbruik van recht en ongerechtvaardigde verrijking door de executant aan. Maar verzoekster wijst dat af omdat al eerder door het SPA Hooggerechtshof is bepaald dat in gevallen als onderhavige daar geen sprake van is. Het is immers wettelijk zo geregeld.

De verwijzende SPA rechter is van mening dat het contractuele evenwichtsbeginsel tussen partijen in het gedrang komt omdat de consument geen enkele invloed kan uitoefenen op de vaststelling van het taxatiebedrag, welk bedrag gezien de berekening van de restschuld zoals in onderhavige zaak duidelijk is, grote gevolgen kan hebben.
Hij stelt de volgende vragen aan het HvJEU:
1. Moeten richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen en de gemeenschapsrechtelijke beginselen van consumentenbescherming en contractueel evenwicht aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de Spaanse hypotheekregeling op grond waarvan de hypothecaire schuldeiser wel meer zekerheden kan verlangen wanneer de taxatiewaarde van een verhypothekeerde onroerende zaak met 20 % daalt, maar de consument/schuldenaar/geëxecuteerde, in het geval van hypothecaire executie, na een afwijkende taxatie niet kan verzoeken om aanpassing van die taxatiewaarde, althans niet voor de toepassing van artikel 671 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, wanneer de taxatiewaarde met hetzelfde of een hoger percentage is gestegen in de tijd tussen de vestiging van de hypotheek en de executie ervan?
2. Moeten richtlijn 93/13/EEG (…) aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de Spaanse procesrechtelijke regeling betreffende hypothecaire executie op grond waarvan de schuldeiser/executant de verhypothekeerde onroerende zaak voor 50 % (thans 60 %) van haar taxatiewaarde kan verkrijgen, zodat er voor de consument/schuldenaar /geëxecuteerde sprake is van een ongerechtvaardigde sanctie van 50 % (thans 40 %) van de taxatiewaarde?
3. Moeten richtlijn 93/13/EEG (…) aldus worden uitgelegd dat, ofschoon het nationale procesrecht dit toestaat, sprake is van misbruik van recht en ongerechtvaardigde verrijking wanneer de schuldeiser/executant, na verkrijging van de verhypothekeerde onroerende zaak voor 50 % (thans 60 %) van de taxatiewaarde, tot algehele voldoening van de schuld om verlof tot executie verzoekt voor het openstaande bedrag, hoewel de taxatiewaarde en/of de werkelijke waarde van de verkregen zaak hoger is dan de totale schuld?
4. Moeten richtlijn 93/13/EEG (…) aldus worden uitgelegd dat de verkrijging van de verhypothekeerde onroerende zaak waarvan de taxatie- en/of werkelijke waarde hoger is dan de totale hypothecaire lening, leidt tot toepassing van artikel 570 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, dat de plaats moet innemen van de artikelen 579 en 671 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, zodat moet worden aangenomen dat de schuldeiser/executant volledig is voldaan?

Specifiek beleidsterrein: EZ
Mede VenJ

Gerelateerde documenten