C-302/13 flyLAL-Lithuanian Airlines

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   8 augustus 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   25 augustus 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   25 september 2013
Trefwoorden: mededinging; staatssteun; EEX-Verordening

Onderwerp
- Handvest grondrechten artikel 47 (recht op eerlijk proces)
- VWEU artikel 101 en 102 (kartelverbod/misbruik machtspositie)
- Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Verzoekster is een failliet verklaarde LIT luchtvaartmaatschappij. Zij heeft een zaak aangespannen tegen het Baltic Air filiaal in LIT en tegen de luchthavenexploitant (verweersters) en eist schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige gedragingen (misbruik machtspositie door verlaging van luchthavenheffingen ten gunste van Baltic Air). Bij arrest van 31-12-2008 wordt conservatoir beslag gelegd op diverse (on)roerende zaken en vermogensrechten van verweersters waarop verzoekster de LET rechter te Riga verzoekt om tenuitvoerlegging van en zekerheidstelling voor uitvoering van de uitspraak van de LIT rechter. De tenuitvoerlegging wordt wel maar de zekerheidstelling wordt niet toegewezen.
Tegen de toewijzing gaan verweersters in beroep omdat zij van mening zijn dat Vo. 44/2001 niet van toepassing is. Omdat het mede gaat om publiekrechtelijke handelingen van de LET staat (het verlagen van de luchthavenheffingen) zou toepassing indruisen tegen zowel de Vo. als het volkenrechtelijk gewoonterecht dat voorziet in de immuniteit van rechtsmacht van een staat ten opzichte van de gerechten van andere staten. Daarnaast wijzen zij op de aard van het juridisch begrip ‘ verboden overeenkomst’ in VWEU art. 101 en de beschikkingspraktijk van de EURCIE (aanmerking als staatssteun). Verweersters achten de voorlopig bewarende maatregelen ondanks het legitieme doel kennelijk onevenredig: toekenning van een dermate hoog bedrag aan een failliet bedrijf, te voldoen door een bedrijf dat voor 100% eigendom van de Staat (oftewel het miskennen van ‘de Staat’ als ‘ betrouwbare partner’ ). Verweersters stellen ook schending van hun recht op een eerlijk proces doordat hun beroep niet op gegrondheid beoordeeld is.
Verzoekster stelt dat de zaak wel binnen de werkingssfeer van Vo. 44/2001 aangezien de grondslag en het voorwerp van het beroep binnen de privaatrechtelijke sfeer liggen (mededinging).

De verwijzende LET rechter legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1) Moet een geschil waarin wordt gevorderd dat schadevergoeding wordt toegekend en dat de onrechtmatigheid wordt vastgesteld van de handelwijze van de verwerende partijen die bestaat in een verboden overeenkomst en in misbruik van een machtspositie en is gebaseerd op de toepassing van normatieve handelingen van algemene strekking van een andere lidstaat, worden beschouwd als een burgerlijke of een handelszaak in de zin van [verordening (EG) nr. 44/2001; hierna: „verordening”], in aanmerking genomen dat verboden overeenkomsten vanaf de sluiting ervan nietig zijn en dat de vaststelling van regelgeving een publiekrechtelijke handeling van de staat (acta iure imperii) is, waarop de volkenrechtelijke regels inzake de immuniteit van rechtsmacht van een staat ten opzichte van de gerechten van andere staten toepassing vinden?
2) Moet, bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag (de zaak is een burgerlijke of een handelszaak in de zin van de verordening), de procedure tot schadevergoeding worden beschouwd als een geschil betreffende de geldigheid van de besluiten van de organen van vennootschappen in de zin van artikel 22, punt 2, van de verordening, hetgeen het mogelijk maakt de beslissing niet te erkennen ingevolge artikel 35, lid 1, van de verordening?
3) Indien het voorwerp van het beroep tot schadevergoeding binnen de werkingssfeer van artikel 22, punt 2, van de verordening (exclusieve bevoegdheden) valt, is het gerecht van de staat waarin om erkenning wordt verzocht dan verplicht [Or. 16] om na te gaan of de omstandigheden bedoeld in artikel 35, lid 1, van de verordening aanwezig zijn wanneer het gaat om de erkenning van een beslissing waarbij voorlopige bewarende maatregelen worden opgelegd?
4) Kan de in artikel 34, punt 1, van de verordening opgenomen openbareordeclausule aldus worden opgevat dat de erkenning van een beslissing waarbij voorlopige bewarende maatregelen worden opgelegd, in strijd is met de openbare orde van een lidstaat indien, ten eerste, het hoofdargument voor de oplegging van voorlopige bewarende maatregelen het aanzienlijke bedrag is dat wordt gevorderd, zonder dat een onderbouwde en beargumenteerde berekening is gemaakt, en, ten tweede, de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing de verwerende partijen schade zou kunnen berokkenen welke, in geval van afwijzing van de vordering tot schadevergoeding, niet zou kunnen worden vergoed door de verzoekende partij, een failliet verklaarde vennootschap, hetgeen negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de economische belangen en dus voor de veiligheid van de staat waarin om erkenning wordt verzocht, aangezien de Republiek Letland 100 % van de aandelen in Lidosta Rīga en 52,6 % van de aandelen in AS Air Baltic Corporation in handen heeft?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-104/03 St Paul Dairy Industries

Specifiek beleidsterrein: EZ
Mede
VenJ

Gerelateerde documenten