C-316/13 Fenoll

Prejudiciële Hofzaak

Zi bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   25 juli 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   11 augustus 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   11 september 2013
Trefwoorden: arbeidstijd; handvest grondrechten

Onderwerp: 
- Handvest grondrechten (artikel 31.2 – arbeidstijden)
- Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd

Verzoeker is cliënt bij een centrum voor arbeidstherapie. Hij is een procedure tegen het centrum begonnen omdat hij over 2003/2004 en 2004/2005 geen vakantiegeld heeft ontvangen en ook geen vakantie heeft opgenomen. Tegen de afwijzing stelt hij dat RL 2003/88 op elke arbeidsverhouding van toepassing is. Het HvJEU heeft in eerdere rechtspraak bevestigd dat de jaarlijkse vakantie (met behoud van loon) als een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht binnen de EU moet worden beschouwd waarvan door de lidstaten niet mag worden afgeweken. Werknemer in de zin van artikel 45 VWEU heeft een autonome betekenis en mag niet restrictief worden uitgelegd.
In de FRA regelgeving is voor gehandicapte personen in een centrum voor arbeidstherapie geen werknemersstatuut geregeld; er is dus geen arbeidsverhouding. Wel gelden de regels van het FRA arbeidswetboek op het gebied van hygiëne, veiligheid en arbeidsgeneeskunde, maar niet die inzake vakantie met behoud van loon.

De verwijzende FRA rechter (Cour de Cassation) vraagt zich af of personen in een centrum voor arbeidstherapie kunnen worden beschouwd als werknemer in de zin van richtlijn 2003/88, en stelt de volgende drie vragen aan het HvJEU:
1) Moet artikel 3 van richtlijn 89/391/EEG, waarnaar wordt verwezen in de bepalingen van artikel 1 van richtlijn 2003/88/EG van 4 november 2003 die de werkingssfeer ervan bepalen, aldus worden uitgelegd dat een in een centrum voor arbeidstherapie opgevangen persoon kan worden aangemerkt als „werknemer” in de zin van dit artikel 3?
2) Moet artikel 31 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een persoon als omschreven in de vorige vraag kan worden aangemerkt als „werknemer” in de zin van dit artikel 31?
3) Kan een persoon als omschreven in de eerste vraag zich rechtstreeks beroepen op de rechten die hij aan het Handvest ontleent, teneinde rechten op vakantie met behoud van loon te verkrijgen, indien de nationale regeling niet bepaalt dat hij dergelijke rechten geniet, en moet de nationale rechter om de volledige werking van dit recht te waarborgen, elke tegenstrijdige nationaalrechtelijke bepaling buiten toepassing laten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-268/06 Impact; C-214/10 KHS; C-337/10 Neidel; C-194/12 Maestre Garcia
Specifiek beleidsterrein: SZW
Mede VenJ

Gerelateerde documenten