C-340/13 Bpost

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   6 augustus 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   23 augustus 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   23 september 2013
Trefwoorden: mededinging; postrichtlijn; non-discriminatiebeginsel

Onderwerp:
- Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/39/EG en richtlijn 2008/06/EG.

Verzoekster is als verzelfstandigd voormalig staatsbedrijf nationale leverancier van de universele postdienst. Zij hanteerde tot 2010 twee kortingssystemen, één waarbij klanten meer korting kregen naarmate zij meer zelf gedaan hadden (de ‘operationele’ of ‘afgiftekorting’) en één op basis van volume (kwantumkortingen). Van deze kortingen werd zowel door aanbieders van post, als door tussenpersonen (die post verzamelen) gebruik gemaakt.
In 2010 besluit verzoekster zendvolumes te gaan berekenen per afzender, en ook de kortingen pas na afloop van een bepaalde periode te verrekenen. Dat betekent dat met name de tussenpersonen geen voordeel meer kunnen behalen door zoveel mogelijk post te bundelen. Verweerster, het BEL Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) stelt als toezichthouder dat de speciale tarieven ten goede moeten komen aan alle aanbieders en legt verzoekster een boete op wegens overtreding van de regelgeving. Verzoekster gaat in beroep. Zij ontkent de verweten discriminatie en is van mening dat het gestelde onder artikel 12 vijfde streepje een bijzondere, striktere toepassing vormt van de algemene regel van non-discriminatie van artikel 12, vierde streepje, van de RL 97/67.

De verwijzende BEL rechter constateert dat partijen het niet eens kunnen worden over de draagwijdte van het gestelde onder het vijfde streepje van artikel 12. Ondanks het arrest Deutsche Post heeft hij nadere uitleg van de betreffende bepaling nodig en legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1) Moet artikel 12, vijfde streepje, van richtlijn 1997/67/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/39/EG en richtlijn 2008/06/EG, aldus worden uitgelegd dat in de betrekkingen tussen de leverancier van de universele postdienst en de tussenpersonen een discriminatieverbod geldt voor de door deze leverancier toegekende operationele kortingen, waarbij de zuivere kwantumkortingen onder artikel 12, vierde streepje, blijven vallen?
2) Zo de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, wordt dan met een zuivere kwantumkorting tegemoetgekomen aan het discriminatieverbod van artikel 12, vierde streepje, wanneer het prijsverschil is gebaseerd op een objectieve factor die verband houdt met de relevante geografische markt en dienstenmarkt, en geen uitsluitingseffect of getrouwheidsstimulans doet ontstaan?
3) Zo de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is de aan de tussenpersoon toegekende kwantumkorting dan in strijd met het discriminatieverbod van artikel 12, vijfde streepje, wanneer de omvang van deze korting niet gelijk is aan de korting die wordt verleend aan een afzender die een even groot aantal zendingen aanbiedt, maar gelijk is aan de som van de kortingen die worden toegekend aan alle afzenders op basis van het aantal zendingen van elke afzender afzonderlijk van wie hij de zendingen heeft gegroepeerd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-287/06-C-292/06 Deutsche Post ea
Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten