C-345/13 Karen Millen Fashions

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijizngsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   8 augustus 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   25 augustus 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   25 september 2013
Trefwoorden: gemeenschapsmodel; Trips-overeenkomst

Onderwerp:
- Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (Bijlage 1C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, 15 april 1994 = „Trips-Overeenkomst”)
- Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen

Verzoekster is in het VK gevestigd en fabriceert en verkoopt dameskleding, ook via detailhandelsvestigingen in IER. Zij stelt in 2007 een inbreukprocedure in tegen verweerster Dunnes Stores en Dunnes Stores (Limerick) Ltd, een belangrijk detailhandelconcern in IER, omdat zij van mening is dat verweerster door haar ontworpen kleding, die naar haar mening in de zin van Vo. 6/2002 bescherming geniet als niet-ingeschreven gemeenschapsmodel namaakt en in IER verkoopt. Het betreft een in 2005 ontworpen gestreepte bloes en een zwarte gebreide top die in IER op de markt is gebracht. Verweerster koopt het setje, laat het buiten IER namaken en biedt het eind 2006 in haar winkels in IER te koop aan. De rechter stelt verzoekster in het gelijk, maar verweerster gaat tegen die uitspraak in beroep.

Partijen zijn het in deze zaak niet eens over de beoordeling van het ‘eigen karakter’ van een model op de wijze die in artikel 4 van de Vo. genoemd wordt. Ook blijft een vraag hoe de bewijslast (artikel 85 lid 2) moet worden beoordeeld. De verwijzende IER rechter vindt in de Trips-overeenkomst en evenmin in het nieuwe voorstel van de EURCIE aanknopingspunten voor beantwoording van deze vragen. Hij legt ze dan ook voor aan het HvJEU:
1. Moet in verband met het eigen karakter van een model waarvan wordt gesteld dat het bescherming geniet als een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel voor de toepassing van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen, voor de beoordeling van de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt in de zin van artikel 6 van die verordening, ervan worden uitgegaan of deze verschilt van de bij een dergelijke gebruiker gewekte algemene indruk door
a) één willekeurig afzonderlijk model dat eerder voor het publiek beschikbaar is gesteld, of
b) een willekeurige combinatie van bekende modelkenmerken van meer dan één ouder model?
2. Moet een rechtbank voor het gemeenschapsmodel ervan uitgaan dat een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel rechtsgeldig is in de zin van artikel 85, lid 2, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen, wanneer de houder slechts aangeeft in welk opzicht het model een eigen karakter heeft, of moet de houder bewijzen dat het model een eigen karakter heeft als bedoeld in artikel 6 van die verordening?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: T-153/08 (Shenzhen Taiden Industrial Co. Ltd)
Specifiek beleidsterrein:
EZ en BZ-BEB

Gerelateerde documenten