C-548/12 Brogsitter

C-548/12 Brogsitter

Prejudiciële Hofzaak C-548/12 Brogsitter

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  25 januari 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  11 februari 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  11 maart 2013
Trefwoorden: EEX

Onderwerp:
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Verzoeker is advocaat en handelt daarnaast in uurwerken. Hij geeft in zijn tweede hoedanigheid ontwikkelopdrachten voor uurwerken aan Karsten Frässdorf die sinds 2005 in FRA gevestigd is onder de handelsnaam Fabrication de Montres Normandes Eurl (verweerders). In 2010, als onderhavige zaak zich ontwikkelt, laat Frässdorf het bedrijf in FRA achter en vestigt zich in ZWI.
Het gaat mis tussen verzoeker en verweerders als verzoeker een door verweerders ontwikkeld uurwerk (polshorloge) in serieproductie wil laten nemen en partijen er niet uitkomen onder welke voorwaarden dat moet gebeuren. Verzoeker meent dat de afspraken geschonden worden als blijkt dat verweerders niet alleen voor hem werken maar andere uurwerken, die qua vorm sterk lijken op het litigieuze exemplaar, promoot op een beurs in Bazel in 2009 en er ook op internet reclame voor maken. Verzoeker vordert dan ook dat verweerders staken met het schenden van afspraken, de modelinbreuk en bedrog en kwade trouw, en het opleggen van een dwangsom bij niet nakoming hiervan.
Verweerders stellen dat de DUI rechter in deze zaak niet bevoegd is, omdat zowel de plaats van uitvoering van de verbintenis als van de schadebrengende gebeurtenissen in FRA ligt. Er loopt inmiddels een faillissementsprocedure tegen de firma van Frässdorf. De DUI rechter (Oberlandesgericht Düsseldorf) verklaart het DUI gerecht bevoegd omdat het om vorderingen uit onrechtmatige daad zou gaan.

De verwijzende DUI rechter meent dat ondanks de beslissing van het Oberlandesgericht hij een vraag aan het HvJEU moet voorleggen over artikel 5 punt 3 van Vo. 44/2001, namelijk of het contractuele aspect dermate overheerst dat het bepalend is voor de aard van de rechtsverhouding en er dus een aanknoping met een overeenkomst bestaat waardoor de voorwaarden van artikel 5, punt 1 van de Vo. vervuld zijn:
“Moet artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat een eiser die beweert te zijn benadeeld door een naar Duits recht als onrechtmatige daad aan te merken, met de vrije mededinging strijdig handelen van zijn in een andere lidstaat gevestigde contractpartij, zich tegen die contractpartij ook dan op een verbintenis uit overeenkomst beroept indien hij zijn aanspraak op strafbaar handelen baseert?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-168/02 Kronhofer
Specifiek beleidsterrein: VenJ