C-573/12 Alands Vindkraft

C-573/12 Alands Vindkraft

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzgsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  7 februari 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  24 februari 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  24 maart 2013
Trefwoorden: energie (elektriciteitscertificaten); mededinging

Onderwerp
- Artikel 34 VWEU (verbod kwantitatieve invoerbeperkingen ; maatregelen van gelijke werking;
- Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG

De inleiding tot de eerste vraag verklaart al voor een groot deel waar de zaak over gaat. De verwijzende rechter vraagt zich af of bij toepassing van de nationale steunregeling al dan niet sprake zal zijn van verboden invoerbeperkingen en of daarvoor een rechtvaardiging aan te voeren is (milieubeschermingsdoeleinden). Door de quotumverplichting worden de ZWE en NOO producenten in grote mate bevoordeeld en wordt een belemmering opgeworpen voor andere buitenlandse spelers op de markt.
Verzoekster heeft in november 2009 verzocht om goedkeuring van een windmolenpark. Het park is in FIN gelegen. Met dat land bestaat op energiegebied geen samenwerking. Het park is via een verbindingsleiding aangesloten op het ZWE hoogspanningsnet en niet op het FIN.
Het verzoek wordt afgewezen op de grond dat het windmolenpark van de onderneming niet voldoet aan de in de ZWE regelgeving gestelde vereisten voor verlening van elektriciteitscertificaten.
Verzoekster vraagt nietigverklaring van het besluit maar noch in eerste instantie noch in beroep vindt zij gehoor. Verweerster, de overheidsinstantie op het gebied van energie, meent dat vragen aan het HvJEU niet nodig zijn.

Maar de verwijzende ZWE rechter denkt daar anders over. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1. De Zweedse regeling voor elektriciteitscertificaten is een nationale steunregeling op basis waarvan elektriciteitsleveranciers en sommige elektriciteitsgebruikers in de lidstaat een hoeveelheid elektriciteitscertificaten moeten kopen die overeenstemt met een bepaald deel van hun verkoop of gebruik, zonder dat expliciet vereist is dat ook elektriciteit wordt gekocht van dezelfde bron. Elektriciteitscertificaten worden verleend door de Zweedse Staat en bewijzen dat een bepaalde hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit is geproduceerd. De producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen ontvangen door de verkoop van elektriciteitscertificaten een extra opbrengst als een bijkomend inkomen uit hun elektriciteitsproductie. Moeten artikel [2, sub k,] en artikel 3, punt 3, van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat op basis daarvan een nationale steunregeling zoals de bovenstaande kan toepassen, waaraan alleen producenten van wie het bedrijf in dat land ligt kunnen deelnemen en die als gevolg heeft dat deze producenten een economisch voordeel genieten ten opzichte van producenten die geen elektriciteitscertificaten kunnen verkrijgen?
2. Kan een regeling als die welke in de eerste vraag is beschreven – tegen de achtergrond van artikel 34 [VWEU] – worden beschouwd als een kwantitatieve invoerbeperking of een maatregel van gelijke werking?
3. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, kan een dergelijke regeling verenigbaar zijn met artikel 34 [VWEU] wanneer rekening wordt gehouden met de doelstelling om de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te bevorderen?
4. Is het voor het antwoord op bovenstaande vragen relevant dat de nationale wet niet uitdrukkelijk bepaalt dat de steunregeling alleen voor nationale producenten geldt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-320/03 CIE/OOS; C-2/10, Azienda Agro-Zootecnica Franchini sarl en Eolica di Altamura Srl
Specifiek beleidsterrein: IenM, mede EZ