C-124/16, C-188/16 en C-213/16 Tranca ea

C-124/16, C-188/16 en C-213/16 Tranca ea

Gevoegde prejudiciële hofzaken

Zie bijalge rechts voor de verwijzingsuitspraken
Klik op C-124/16, C-188/16 en C-213/16 voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   24 mei 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       10 juni 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   10 juli 2016
Trefwoorden: strafrecht; recht op informatie in strafprocedures; recht op eerlijk proces; betekening

Onderwerp
Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (Pb L 142, blz. 1)

Verzoekers in deze gevoegde zaken hebben geen woonplaats in DUI. In zaak C-124/16 gaat het om een dakloze die diefstal heeft gepleegd en schuld heeft bekend. Volgens de verwijzende rechter zal hij er met een boete vanaf komen. Er is een aanhoudingsbevel uitgevaardigd wegens vluchtgevaar en om de mogelijkheid te scheppen de strafbeschikking aan verzoeker te ‘betekenen’. Het gaat de verwijzende DUI rechter (Amtsgericht München) met name om de evenredigheidstoets van het bevel (in verhouding tot het vergrijp), de noodzaak tot snelle afdoening (in belang van verzoeker en het spaarzaam omgaan met beschikbare middelen) en de wettelijke noodzaak tot aanwijzing van een ontvangstgemachtigde.
In C-213/16 geeft de rechter aan dat het om vervolgvragen gaat van het arrest in zaak C-216/14 Covaci. Het betreft het ingaan van de verzettermijn en de criteria die daarvoor zijn gesteld, met name de afhankelijkheid van de daadwerkelijke doorzending aan en ontvangst door beklaagde. Een dergelijke bepaling ontbreekt in het DUI recht. De automatische en letterlijke toepassing van de beslissing van het HvJEU zou volgens de verwijzende rechter ertoe leiden dat strafbeschikkingen in gebruikelijke situaties geen kracht van gewijsde meer zouden krijgen. Hij ziet zich dan ook genoodzaakt om in de zaken C-124/16 en C-213/16 alsnog aanvullende vragen aan het HvJEU voor te leggen:
1. Staan artikel 2 en artikel 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, in de weg aan een regeling van een lidstaat, die bepaalt dat een niet in deze lidstaat verblijvende beklaagde in een strafprocedure een ontvangstgemachtigde moet aanwijzen voor de betekening van een aan hem gerichte strafbeschikking, ook wanneer de beklaagde vervolgens niet over de volledige termijn beschikt om verzet aan te tekenen tegen de strafbeschikking, en hij ook geen adres heeft waarop de strafbeschikking hem verifieerbaar kan worden medegedeeld, en de mededeling van de naam en adres van de ontvangstgemachtigde hem de mogelijkheid biedt om deze persoon op de hoogte te houden van de plaats waar hem een strafbeschikking met ontvangstbewijs kan worden toegestuurd?
2. Staan artikel 2, lid 1, en artikel 6, leden 1 en 3 van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 in de weg aan een regeling van een lidstaat, die bepaalt dat een niet in deze lidstaat verblijvende beklaagde in een strafprocedure een ontvangstgemachtigde moet aanwijzen voor de betekening van een aan hem gerichte strafbeschikking en dat de betekening aan een ontvangstgemachtigde als zodanig de termijn om verzet aan te tekenen doet ingaan, wanneer de beklaagde bij niet-inachtneming van de aldus berekende termijn herstel in de vorige toestand kan verlangen, waarbij het als rechtvaardiging volstaat dat de strafbeschikking hem werd doorgestuurd en hij vervolgens tijdig verzet heeft ingesteld, wanneer hij nadien door herstel in de vorige toestand dus de onverkorte verzetstermijn geldend kan maken, zelfs wanneer de wet voorschrijft dat de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking de regel is bij niet-inachtneming van de termijn?

In zaak C-188/16 gaat het om een ROE staatsburger die een winkeldiefstal heeft gepleegd welke hij heeft bekend. Het OM zag geen reden tot aanhouding, maar heeft gelast dat verzoeker een gemachtigde aanwijst, hetgeen is geschied. Verzoeker krijgt 13-10-2015 een boete opgelegd; de strafbeschikking is aan de gemachtigde betekend op 27-10-2015. Op 11-11-2015 is bij besluit van de griffier de beschikking in kracht van gewijsde gegaan. Het OM maakt daartegen bezwaar. De vraag in deze zaak is of de juiste datum wordt gehanteerd voor kracht van gewijsde. Het OM twijfelt daaraan gezien het arrest in zaak C-216/14 en de daarin gestelde einddatum termijn verzet. De vraag van de verwijzende rechter in deze zaak (Landgericht München) luidt als volgt:
“Moeten de artikelen 2, 3, lid 1, onder c), en 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, aldus worden uitgelegd dat zij zich ook dan verzetten tegen de wettelijke voorschriften van een lidstaat die bepalen dat in het kader van een strafzaak gericht tegen een beklaagde die geen vaste woon-of verblijfplaats in de lidstaat heeft, de aan hem gerichte strafbeschikking kan worden betekend aan een door hem met het oog op de betekeningen benoemde gemachtigde, met als gevolg dat de strafbeschikking in kracht van gewijsde gaat na het verstrijken van de termijn voor verzet (van 2 weken) die ingaat vanaf de betekening aan de gemachtigde, wanneer de wettelijke voorschriften erin voorzien dat beklaagden die binnen 2 weken nadat zij van de strafbeschikking daadwerkelijk kennis hebben genomen bij het bevoegde gerecht schriftelijk verzet instellen tegen de strafbeschikking, ambtshalve in de vorige toestand moeten worden hersteld, met als gevolg dat de procedure vanaf die beslissing tot herstel in de vorige toestand wordt voortgezet alsof tijdig verzet is ingesteld?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-216/14 Covaci
Specifiek beleidsterrein: VenJ