C-168/16 en C-169/16 Nogueira ea

C-168/16 en C-169/16 Nogueira ea

Gevoegde prejudiciële hofzaken

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraken
Klik op C-168/16 en C-169/16 voor de volledige dossiers van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   12 mei 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       28 mei 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   28 juni 2016
Trefwoorden: EEX (Brussel I, Rome I)

Onderwerp
- Internationaal luchtvaartverdrag van Chicago van 7 december 1944;
- Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (Pb L 373, blz. 4);
- Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb 2001, L 12, blz. 1);
- Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166; blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012; en de toepassingsVo. 987/2009;
- Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (Pb L 177, blz. 6), van toepassing op overeenkomsten gesloten na 17 december 2009

Het gaat in beide zaken om verzoekers van BEL, SPA en POR nationaliteit die een arbeids-overeenkomst hebben met verweerster Crewlink, een onderneming gespecialiseerd in rekruteren en opleiden van luchtvaart(boord)personeel, met name voor Ryanair. Omdat de vliegtuigen van Ryanair in IER geregistreerd zijn is in de contracten opgenomen dat de werknemers hun werk uitvoeren in IER, de IER rechter bevoegd is, en dat de werknemers als standplaats Charleroi/BEL hebben. Crewlink heeft het recht de werknemers elders te plaatsen en de werknemers zijn verplicht op maximaal een uur van de standplaats te wonen. Verzoekers hebben in 2011 ontslag genomen of gekregen. Zij dagen Crewlink voor de Rb Charleroi in verband met nog openstaande (salaris)vorderingen. Op 04-11-2013 verklaart de rechter zich onbevoegd. Verzoekers gaan daartegen in hoger beroep waarbij zij erop wijzen dat een van de doelen van het Unierecht is een passende bescherming te bieden aan de zwakste contractpartij. Zij hebben geen enkele band met IER zodat het moeilijk wordt aldaar hun rechten geldend te maken. Zij verwijten Crewlink IER rechtsbepalingen toe te passen omdat deze minder gunstig zijn dan de BEL regels. Zij menen dat de BEL rechter op grond van Vo. 44/2001 bevoegd is. Verweerster wijst erop dat de werkzaamheden aan boord van vliegtuigen worden verricht die in IER zijn ingeschreven. Artikel 17 Verdrag van Chicago bevestigt dat de rechter van de staat waar de vliegtuigen zijn ingeschreven bevoegd is. Werknemers zijn in IER verzekerd voor sociale zekerheid; de IER fiscale wetgeving is op verzoekers van toepassing en zij voeren enkel internationale vluchten uit aan boord van IER vliegtuigen.

De verwijzende BEL-rechter (Rb Mons/Bergen) oordeelt dat op grond van Vo. 44/2001 eerst moet worden bepaald op welk grondgebied werknemers gewoonlijk werken. Het HvJEU heeft voor het bepalen van de ‘plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht’ criteria ontwikkeld. Volgens het Verdrag van Rome en de Rome-I Vo. staat het partijen in beginsel vrij om het recht te kiezen dat op een arbeidsovereenkomst van toepassing is zolang die keuze er maar niet toe leidt dat de werknemer bescherming verliest die hij op grond van (dwingende) bepalingen zou hebben genoten. Ook een ‘nauwe’ band met een land is van groot belang voor het bepalen van de ‘gewoonlijke’ arbeidsplaats (C-64/12). Voor luchtvaartpersoneel geeft dit echter de nodige problemen aangezien zij hun werk doen boven verschillende staten. In onderhavige zaak is voor verzoekers de luchthaven Charleroi de thuisbasis. Dat is de plaats van waarui verzoekers vliegen, stand by zijn voor vluchten, opleidingen volgen en testen afleggen. Verweerster heeft er een met Ryanair gedeelde ‘crewroom’ (kantoor); de vliegtuigen van Ryanair staan in Charleroi gestald. Partijen baseren zich op artikel 19 van Vo. 44/2001, maar trekken daaruit verschillende conclusies. De verwijzende rechter twijfelt over de juiste uitleg van die bepaling, en legt (in beide zaken) de volgende uitgebreide vraag voor aan het HvJEU:
“Kan, rekening houdend met:
– de behoeften aan voorspelbaarheid van de afloop van een geschil en aan rechtszekerheid, die vooropstonden bij de vaststelling van de regels betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken zoals bepaald in het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, [C] 15, blz. 1), „Executieverdrag” genoemd, en bij verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) (zie met name arrest van 19 juli 2012, Mahamdia, C-154/11, EU:C:2012:491, punten 44 en 46),
– de bijzondere kenmerken van de Europese luchtvaartsector, waarin het boordpersoneel van een luchtvaartmaatschappij met zetel in één van de staten van de Europese Unie ter beschikking is gesteld aan deze luchtvaartmaatschappij door een andere vennootschap met zetel in dezelfde staat en dagelijks het luchtruim van de Europese Unie doorkruist vanaf een thuisbasis die, zoals in casu, in een andere lidstaat kan zijn gevestigd,
– de specifieke kenmerken van het onderhavige geding, zoals beschreven in de motivering van de onderhavige verwijzingsbeslissing,
– het uit het begrip „thuisbasis” afgeleide criterium [zoals gedefinieerd in bijlage III bij verordening (EEG) nr. 3922/91], dat door verordening nr. 883/2004 wordt gebruikt ter bepaling van de socialezekerheidswetgeving die sinds 28 juni 2012 op leden van het cockpit- en het cabinepersoneel van toepassing is,
– de lessen getrokken uit de in de motivering van de onderhavige verwijzingsbeslissing aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, het begrip „plaats waar de arbeidsovereenkomst gewoonlijk wordt uitgevoerd” als bedoeld in artikel 19, lid 2, van verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 aldus worden uitgelegd dat het kan worden gelijkgesteld met het begrip „thuisbasis” dat in bijlage III bij verordening nr. 3922/91 van de Raad van 16 december 1991 is gedefinieerd als „de locatie die door de exploitant aan het bemanningslid is aangewezen en waar het bemanningslid in de regel een dienstperiode of een reeks dienstperioden aanvangt en beëindigt, en waar, onder normale omstandigheden, de exploitant niet verantwoordelijk is voor de accommodatie van het bemanningslid in kwestie”, ten behoeve van de vaststelling van de verdragsluitende staat (en bijgevolg diens rechterlijke bevoegdheid) op het grondgebied waarvan de werknemers gewoonlijk hun arbeid verrichten wanneer deze werknemers, in hun hoedanigheid van leden van het boordpersoneel, ter beschikking zijn gesteld aan een maatschappij die is onderworpen aan het recht van een van de landen van de Unie en in het volledige luchtruim van de Europese Unie internationaal passagiersvervoer verzorgt[,] gelet op het feit dat dit aanknopingspunt[,] dat wordt afgeleid uit de „thuisbasis” als „werkelijk centrum van de arbeidsverhouding” voor zover alle werknemers daar systematisch hun werkdag beginnen en beëindigen met de organisatie van hun dagelijkse werk en voor de periode van de contractuele betrekkingen waarin zij ter beschikking zijn gesteld aan deze luchtvaartmaatschappij effectief in de buurt ervan gaan wonen, zowel de nauwste banden heeft met een verdragsluitende staat als de meest passende bescherming garandeert aan de zwakste partij in de contractuele relatie?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie:  C-37/00 Weber; C-29/10 Koelsch; C-154/11 Mahamdia; C-64/12 Schlecker
Specifiek beleidsterrein: VenJ, SZW, IenM