C-172/16 Kammerer

C-172/16 Kammerer

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   13 mei 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       29 mei 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   29 juni 2016
Trefwoorden: luchtvaart; compensatieregeling luchtreizigers; overeenkomst met Zwitserland
Onderwerp
- Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer van 21 juni 1999, in de versie van besluit nr. 2/2010 van het Comité Luchtvervoer Europese Unie/Zwitserland van 26 november 2010;
- Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91

Verzoekers vorderen van verweerster (de in ZWI zetelende Swiss International Airlines) compensatie voor het niet volgens plan uitvoeren van een vlucht van New York naar Zürich + een aansluitende vlucht naar Düsseldorf. New York – Zürich werd volgens verweerster geannuleerd wegens slechte weersomstandigheden waarna passagiers werden omgeboekt en eerst met 16 uur vertraging in Chicago arriveerden van waaruit zij met Lufthansa rechtstreeks naar Düsseldorf zijn gevlogen. Verzoekers eisen elk € 600 compensatie. Verweerster betwist de internationale bevoegdheid van de rechter en de vordering omdat Vo. 261/2004 alleen op vluchten van toepassing is die binnen de EU vertrekken of aankomen en uitgevoerd worden door een in de EU gevestigde luchtvaartmaatschappij.

De verwijzende DUI rechter (Rb Düsseldorf) stelt vast dat hij bevoegd is. Of verzoekers recht op de compensatie hebben hangt af van de toepasselijkheid van Vo. 261/2004 op het eerste deel van hun vlucht (New York – Chicago). De rechter wijst op de noodzaak van causaal verband tussen een niet volgens plan verlopen vlucht (New York – Zürich) en het op de eindbestemming geleden tijdverlies, waarbij de niet volgens plan verlopen vlucht onder de werkingssfeer van Vo. 261/2004 moet vallen. Zowel de vertrek- als de aankomstluchthaven vallen buiten Vo. 261/2004, maar sinds 01-12-2006 is volgens de luchtvervoerovereenkomst EU/ZWI Vo. 261/2004 ook in ZWI van toepassing. De rechter neigt dan ook tot de opvatting dat ook vluchten die in ZWI aankomen binnen de werkingssfeer van de Vo. vallen, ook als deze in een derde land zijn vertrokken. Een ZWI rechter heeft echter de opvatting verdedigd dat Vo. 261/2004 voor passagiers die van luchthavens in ZWI vertrekken enkel zou gelden indien hun bestemming in een EULS is gelegen. De verwijzende rechter zet uiteen waarom hij het daar niet (volledig) mee eens is en dat er sterkere argumenten zijn voor een algemene toepassing van de Vo. op passagiers die de intentie hebben uit een derde land in ZWI aan te komen. Omdat de vraag door hem niet eenduidig kan worden beantwoord legt hij het HvJEU de volgende vraag voor:
“Moet de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer van 21 juni 1999, in de versie van besluit nr. 2/2010 van het Comité Luchtvervoer Europese Unie/Zwitserland van 26 november 2010, aldus worden uitgelegd dat verordening (EG) nr. 261/2004 overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), ervan ook geldt voor passagiers die de intentie hebben om met een vlucht uit een derde land op een luchthaven in Zwitserland te landen?”
Specifiek beleidsterrein: IenM en EZ