C-174/16 H

C-174/16 H

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   31 mei 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       17 juni 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   17 juli 2016
Trefwoorden: ambtenaar; sociale zekerheid; ouderschapsverlof; gelijke behandeling

Onderwerp
- Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep
- Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van richtlijn 96/34/EG

Verzoekster is ambtenaar in vaste dienst bij het Land Berlin (verweerder) sinds 1999. Op 20-09-2011 wordt zij op proef bevorderd tot ‘Senatsrätin’ en op 18-10-2011 krijgt zij een formatieplaats in die rang toegewezen. De proeftijd is twee jaar zonder verlengingsmogelijkheid. Zij is echter op dat moment (periode 25-07-2011 – 19-01-2012) arbeidsongeschikt door zwangerschap; vervolgens (periode 20-01-2012 – 29-05-2012) afwezig wegens bevallingsverlof en aansluitend (periode 30-05-2012 – steeds verlengd tot 20-02-2015) ouderschapsverlof. De haar aangeboden formatieplaats was inmiddels door een andere persoon ingenomen. Aangezien haar proeftijd eindigde op 19-09-2013 en zij haar ambt niet heeft uitgeoefend wordt zij teruggeplaatst in rang. Tegen die beslissing start zij een zaak die nu voorligt bij de verwijzende rechter. Verzoekster stelt met name strijd met EUR en nationale gelijke behandelingsregels.

De verwijzende DUI rechter (Verwaltungsgericht Berlin) stelt vast dat het besluit naar nationaal recht (wegens de niet vervulde proeftijd) rechtsgeldig is. Of verzoekster in haar recht staat hangt er dan ook van af of de DUI regeling verenigbaar is met EUrecht. Hij vraagt zich met name af of met het oog op gelijke behandeling verzoekster terecht na terugkeer is teruggeplaatst in haar oude rang. Op grond van arrest C-149/10 gaat hij ervan uit dat RL 2010/18 op verzoekster van toepassing is. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1) Moeten richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van richtlijn 96/34/EG, en de in de bijlage opgenomen raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke de proeftijd tijdens welke een dienstbetrekking als leidinggevende ambtenaar op proef is toegewezen, van rechtswege en met uitsluiting van de mogelijkheid tot verlenging ook dan een einde neemt wanneer de ambtenaar of ambtenares tijdens het grootste deel van deze proeftijd en ook erna ouderschapsverlof geniet?
2) Moet richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep, en in het bijzonder de artikelen 14, lid 1, onder a) of c), 15 of 16 van de richtlijn, aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling als bedoeld in de eerste vraag, een onrechtstreekse discriminatie op basis van geslacht vormt, wanneer door deze regeling veel meer vrouwen dan mannen worden of kunnen worden getroffen?
3) Indien de eerste of de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: staan de genoemde bepalingen van Europees recht ook dan in de weg aan een dergelijke nationale regeling wanneer deze wordt gerechtvaardigd door het doel dat ertoe strekt dat tijdens de proeftijd het bewijs van geschiktheid voor een in vast dienstverband toe te wijzen leidinggevend ambt slechts kan worden geleverd wanneer de taken daadwerkelijk over een langere tijdsduur zijn vervuld?
4) Indien ook de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: staat het Europees recht een ander rechtsgevolg toe dan de voortzetting van de proeftijd aansluitend op het einde van het ouderschapsverlof – voor de duur van de periode die bij het begin van het ouderschapsverlof nog niet was verstreken – in dezelfde of een vergelijkbare dienstbetrekking wanneer bijvoorbeeld een dergelijke dienstbetrekking of een vergelijkbare formatieplaats niet meer beschikbaar is?
5) Vereist het Europees recht in dit geval met oog op de bezetting van een andere dienstbetrekking of een ander leidinggevend ambt dat wordt afgezien van een nieuwe selectieprocedure met deelname van andere kandidaten overeenkomstig de nationale rechtsregels?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-149/10 Chatzi
Specifiek beleidsterrein: BZK, SZW, VenJ