C-201/16 Shiri

C-201/16 Shiri

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   3 juni 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       20 juni 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   20 juli 2016
Trefwoorden: asiel; verantwoordelijke lidstaat (‘Dublin III’ – termijn overdracht)

Onderwerp
Verordening nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend

Verzoeker, Iraans onderdaan, heeft op 07-03-2015 asiel aangevraagd in OOS. Dit verzoek wordt niet ontvankelijk verklaard omdat BUL op grond van Vo. 604/2013 voor verzoeker verantwoordelijk zou zijn. Hij heeft daar eerder op 19-02-2015 asiel gevraagd. Verzoeker krijgt een verwijderingsbesluit en gaat daartegen in beroep bij het Bundesverwaltungsgericht. Deze vernietigt de beschikking bij besluit van 20-07-2015 en wijst de zaak terug. OOSAut had verzuimd het evocatierecht van de Dublin-III-Vo. toe te passen teneinde schending van het EVRM te voorkomen. Bij beschikking van 03-09-2015 wordt verzoekers aanvraag opnieuw niet-ontvankelijk verklaard en wordt opnieuw zijn verwijdering geëist naar BUL. In beroep stelt verzoeker dat OOS nu voor hem verantwoordelijk is geworden omdat de in de Vo. gestelde zes maandentermijn is verstreken. BULaut heeft op 23-03-2015 ingestemd met het terugnameverzoek en de OOS rechter heeft geen opschortende werking aan het eerste besluit (van 02-07-2015) toegekend. Het Bundesverwaltungsgericht verklaart het beroep 30-09-2015 ongegrond; de zes maanden termijn wordt niet uitsluitend bepaald op basis van het tijdstip van aanvaarding van het overnameverzoek. Volgens OOS rechtspraak gaat het bij vernietiging en verwijzing om een voorziening in rechte of een verificatie, die opschortende werking heeft in de zin van van de Dublin III-Vo. De termijn van zes maanden is opnieuw ingegaan na verzoekers beroep tegen de vernietigingsuitspraak (ingekomen op 17-09-2015) zodat de verantwoordelijkheid voor de aanvraag nog steeds bij BUL ligt.

Bij de verwijzende OOS rechter (Verwaltungsgerichtshof) stelt verzoeker schending van de Dublin-III-Vo. OOS heeft ervoor gekozen niet automatisch opschortende werking toe te kennen aan een beroep/bezwaar. De door het Bundesverwaltungsgericht gestelde opschortende werking wijkt dan ook af van rechtspraak van het Verwaltungsgerichtshof. Hij blijft bij zijn mening dat door niet onderbreking van de termijn voor de terugverwijzing deze is verstreken en OOS voor zijn aanvraag verantwoordelijk is. De verwijzende rechter vraagt zich, mede aan de hand van jurisprudentie van het HvJEU af of door middel van een rechtsmiddel (artikel 27 Vo.) kan worden aangevoerd dat de verzoekende LS verantwoordelijk is geworden door het verstrijken van de overdrachtstermijn in artikel 29 Vo. Hij heeft in ieder geval behoefte aan nadere uitleg van artikel 27 lid 1 wat betreft de passage “een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen dergelijke besluiten [dient] zowel betrekking te hebben op de toepassing van deze verordening als op de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat aan welke de verzoeker wordt overgedragen”. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1) Moeten de bepalingen van verordening nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, die voorzien in het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit, en meer bepaald artikel 27, lid 1, in het licht van overweging 19 van die verordening aldus worden uitgelegd dat een asielzoeker kan aanvoeren dat de verantwoordelijkheid is komen te berusten bij de verzoekende lidstaat omdat de overdrachtstermijn van zes maanden is verstreken (artikel 29, lid 2, juncto artikel 29, lid 1, van verordening nr. 604/2013)?
Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
2) Treedt de overgang van de verantwoordelijkheid ingevolge artikel 29, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 604/2013 alleen in wanneer geen overdracht heeft plaatsgevonden tijdens de duur van de overdrachtstermijn, of is voor de overdracht van de verantwoordelijkheid op grond van het verstrijken van een termijn ook vereist dat de verantwoordelijke lidstaat de verplichting tot overname of terugname van de betrokkene niet op zich heeft willen nemen?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-394/12 Abdullahi; lopende zaken C-63/15 Ghezelbash en C-155/15 Karim
Specifiek beleidsterrein: VenJ/DMB