C-217/16 Zagoriou

C-217/16 Zagoriou

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   28 juni 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       14 juli 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   14 augustus 2016
Trefwoorden: structuurfondsen; bevoegdheidsverdeling

Onderwerp
- VWEU artikel 299 (executoriale titel; tenuitvoerlegging besluiten aan natuurlijke of rechtspersonen);
- Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten;
- Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds

Verweerster (gemeente) eist vernietiging van een door verzoekster (EURCIE) opgelegd betalingsbevel van 31-08-2008, haar opgelegd als aandeelhouder van een gemeentelijke onderneming voor toeristische ontwikkeling, alsmede van een exploot van beslaglegging van 15-10-2008 onder de bancaire vennootschap Elliniki Trapeza ten laste van de gemeente, wegens ontbrekende bevoegdheid en het feit dat een deel van het bedrag waarop beslag wordt gelegd niet voor beslag vatbare inkomsten zou betreffen. De rechter in eerste aanleg wijst het verzoek gedeeltelijk toe. De EURCIE is daarvan in beroep gekomen bij de verwijzende rechter wegens onjuiste uitleg van met name het EUrecht. Verzoekster stelt dat het om publiekrechtelijke belangen gaat en dat de bestuursrechter dan ook bevoegd zou zijn. Zij wijst op VWEU artikel 299; de tenuitvoerlegging van de door het besluit gevormde executoriale titel geschiedt volgens de bepalingen van BRv die van kracht zijn in betreffende LS. Het artikel bepaalt dus niet de rechterlijke bevoegdheid voor de geschillen die daar mogelijk uit voortvloeien. Verzoekster stelt dat uit het artikel volgt dat de communautaire wetgever de bevoegdheid tot toetsing van regelmatigheid van de tenuitvoerlegging aan de nationale rechter overlaat. In de verordeningen over de structuurfondsen is bepaald dat ieder bedrag dat tot terugvordering wegens onverschuldigde betaling aanleiding geeft aan de EURCIE moet worden terugbetaald. Het oordeel in eerste instantie dat verweerster niet voor de onregelmatigheid aansprakelijk kan worden gehouden acht verzoekster onjuist omdat verweerster invloed op het handelen van de gemeentelijke onderneming had.

De verwijzende GRI rechter (Hof Athene) legt de volgende vragen aan het HvJEU voor:
1) Wat is het karakter van de handelingen die de Europese Commissie verricht in de uitoefening van haar bevoegdheden krachtens de verordeningen (EEG) nrs. 2052/1988, 4253/1988 en 4256/1988, en met name: [zijn] die handelingen van de Commissie publiekrechtelijke handelingen en zijn de daaruit rijzende geschillen inhoudelijk steeds bestuursrechtelijke geschillen, inzonderheid wanneer het door de Europese Commissie onder een derde gelegde beslag betrekking heeft op een civielrechtelijke vordering, terwijl de vordering op de voldoening waarvan de executie betrekking heeft haar oorsprong vindt in een publiekrechtelijke rechtsverhouding die berust op de hierboven omschreven besluiten van de Europese Commissie[;] of zijn het handelingen van civielrechtelijke aard, die aanleiding geven tot civielrechtelijke geschillen?
2) Gelet op de bepaling in artikel 299 VWEU dat de gedwongen tenuitvoerlegging van de besluiten van de Europese Commissie die een geldelijke verplichting voor natuurlijke of rechtspersonen – anders dan de lidstaten – opleggen, wordt beheerst door het burgerlijke procesrecht van de lidstaat op het grondgebied van de tenuitvoerlegging en dat het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties behoort, hoe wordt bepaald welke nationale rechter bevoegd is ter zake van geschillen die rijzen uit die gedwongen tenuitvoerlegging, wanneer dit volgens het nationale recht naar hun inhoud bestuursrechtelijke geschillen zijn, dat wil zeggen wanneer de onderliggende verhouding van publiekrechtelijke aard is?
3) In het geval van gedwongen tenuitvoerlegging van een besluit van de Europese Commissie krachtens de verordeningen nrs. 2052/1988, 4253/1988 en 4256/1988 dat een geldelijke verplichting voor natuurlijke of rechtspersonen – anders dan de lidstaten – oplegt, wordt de passieve legitimatie van degene op wie de verplichting rust, bepaald volgens het nationale recht of het communautaire recht?
4) Wanneer de persoon die gehouden is tot voldoening van een geldelijke verplichting uit hoofde van een door de Europese Commissie ter uitvoering van de verordeningen nrs. 2052/1988, 4253/1988 en 4258/1988 vastgesteld besluit, een inmiddels ontbonden gemeentelijke onderneming is, moet dan volgens deze verordeningen de gemeente waaraan die onderneming toebehoort worden geacht gehouden te zijn tot voldoening van die geldelijke verplichting jegens de Europese Commissie?
Specifiek beleidsterrein: EZ