C-224/16 AEBTRI

C-224/16 AEBTRI

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   13 juni 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       30 juni 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   30 juli 2016
Trefwoorden: TIR-overeenkomst (goederenvervoer); douanewetboek; wederzijdse bijstand

Onderwerp
- Verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad tot goedkeuring van de douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR van 14 november 1975 (TIR-Overeenkomst);
- Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek;
- Richtlijn 2008/55/EG van de Raad van 26 mei 2008 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten en belastingen, alsmede uit andere maatregelen

Verzoekster heeft zich garant gesteld voor een TIR-certificaat. De onder het certificaat vervoerde goederen met carnet dat op naam staat van de in TUR geregistreerde vervoersonderneming Sargut komen in november 2008 aan op het douanekantoor in BUL (verweerder). Het TIR-vervoer moet volgens de vrachtbrief in ROE eindigen (bij IREM Corporation). BULaut controleren of een opsporingsprocedure voor zuivering van de TIR-operatie moest worden ingeleid en bevragen daartoe de ROEaut die stellen dat de betreffende goederen niet bij hen zijn aangebracht. In september 2009 krijgt verzoekster te horen hoeveel Sargut dient te betalen (douaneschuld, btw, en rente). Sargut maakt bezwaar maar bij beslissing van 02-11-2010 wordt het besluit bevestigd. Verzoekster krijgt dan op 15-11-2010 bericht van niet-zuivering van de TIR-operatie en verzocht te betalen, waaraan zij niet binnen de in de TIR gestelde termijn voldoet. Op 07-06-2011 wordt een procedure gestart ter verkrijging van een tenuitvoerlegging; het invorderingsbevel wordt op 05-09-2012 vastgesteld en aan verzoekster gericht waarbij is benadrukt dat al hetgeen mogelijk om de vordering bij Sargut te innen was gedaan.

Volgens de verwijzende BUL cassatierechter kan uit de overgelegde documenten worden geconcludeerd dat de goederen door IREM in ontvangst zijn genomen maar niet dat de goederen bij het douanekantoor zijn aangemeld. Verzoekster stelt dat het invorderingsbevel onwettig is omdat niet aan de voorwaarden is voldaan en bijvoorbeeld de mogelijkheid van RL 2008/55 niet is benut. Verweerder is het daar niet mee eens. De verwijzende rechter moet antwoord geven op de vraag of in het onderhavige geding is voldaan aan de voorwaarde voor het intreden van de verzoeksters aansprakelijkheid volgens de TIR-overeenkomst en in het bijzonder of ROEaut zich voldoende hebben ingespannen om betaling te eisen van degene die deze bedragen rechtstreeks verschuldigd is. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1) Is het Hof van Justitie [van de Europese Unie] bevoegd om, ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen, [de in naam van de Europese Gemeenschap door verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad goedgekeurde douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR van 14 november 1975 (TIR-Overeenkomst)] – op een voor de rechters van de lidstaten bindende wijze – uit te leggen, wanneer het gaat om het door de artikelen 8 en 11 van deze overeenkomst geregelde gebied, om te beoordelen of er sprake is van een aansprakelijkheid van de organisatie die zich garant heeft gesteld, waarin ook is voorzien bij artikel 457, lid 2, van [verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (uitvoeringsverordening communautair douanewetboek)]?
2) Kan, op grond van de uitlegging van artikel 457, lid 2, van de uitvoeringsverordening communautair douanewetboek in samenhang met artikel 8, lid 7, (thans artikel 11, lid 2) van de [TIR-Overeenkomst], en de toelichtingen hierbij, ervan worden uitgegaan dat in een situatie als de onderhavige, de douaneautoriteiten, wanneer de in artikel 8, leden 1 en 2, [van de TIR-Overeenkomst] bedoelde bedragen opeisbaar worden, voor zover mogelijk de betaling hiervan moeten eisen van de houder van het TIRcarnet, die deze bedragen rechtstreeks verschuldigd is, alvorens deze te vorderen van de organisatie die zich garant heeft gesteld?
3) Moet ervan worden uitgegaan dat de ontvanger, die een goed heeft verworven of het onder zich heeft waarvan is geweten dat het onder dekking van een TIR-carnet werd vervoerd, maar waarvoor niet is vastgesteld dat het op het douanekantoor van bestemming is aangebracht en aangegeven, alleen op basis van deze omstandigheden de persoon is die had moeten weten dat het goed aan het douanetoezicht was onttrokken, en moet hij worden beschouwd als hoofdelijke schuldenaar in de zin van artikel 203, lid 3, derde streepje, juncto artikel 213 van [verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek]?
4) Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: staat het verzuim van de douanedienst om van deze ontvanger de betaling van de douaneschuld te eisen, in de weg aan het intreden van de – ook in artikel 457, lid 2, van de uitvoeringsverordening communautair douanewetboek geregelde – aansprakelijkheid van de organisatie die zich garant heeft gesteld in de zin van artikel 1, nr. 16 [thans onder q)], van de [TIR-Overeenkomst]?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-533/08 TNT
Specifiek beleidsterrein: IenM; FIN