C-233/16, C-234/16, C-235/16, C-236/16 en C-237/16 ANGED ea

C-233/16, C-234/16, C-235/16, C-236/16 en C-237/16 ANGED ea

Gevoegde prejudiciële hofzaken

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   4 juli 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       20 juli 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   20 augustus 2016
Trefwoorden: vrije vestiging; staatssteun; belastingen

Onderwerp:- VWEU artikel 49 (vrije vestiging); artikel 54 (gelijkstelling vennootschappen); artikel 107 / 108 (staatssteun); artikel 110 (geen hogere belasting op producten andere EULS);

- verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (Pb L 83, blz. 1).|

Zaak C-233/16: verzoekster (ANGED = nationale vereniging van grote detailhandelsondernemingen) heeft 12-12-2012 beroep in cassatie ingesteld naar aanleiding van het arrest van 27-09-2012 van het Hooggerechtshof van Catalonië. Met dat arrest is haar beroep van 21-02-2002 tegen het besluit van 24-12-2001 van de regering van de autonome regio Catalonië tot vaststelling van de uitvoeringsregeling inzake de belasting op grote winkelbedrijven (boven 2500 m2) in Catalonië, = ‘IGEC’ afgewezen. Verzoekster stelt dat het IGEC-besluit op een aantal punten in strijd is met de SPA Gw. De EURCIE heeft na onderzoek echter geconcludeerd dat de inkomsten uit de IGEC gebruikt werden tot financiering van doelen van ‘algemeen belang’. Verzoekster heeft ook een klacht ingediend bij de EURCIE (bij DG COMP, 12-02-2013) tegen SPA omdat zij van mening is dat de voor zes autonome gemeenschappen voorziene IGEC-regeling (Catalonië, Prinsdom Asturië, Aragón, Navarra, Canarische eilanden en La Rioja) in strijd is met het EUrecht inzake staatssteun. Op 20-05-2013 meldt verzoekster zich bij DG Markt aangezien de belasting de vrijheid van vestiging zou schenden. De EURCIE reageert 28-11-2014 en verklaart de steun aan een aantal kleine detailhandelszaken en bepaalde speciaalzaken met het EU-recht onverenigbaar en zij ziet daarvoor geen rechtvaardiging.

De verwijzende SPA rechter (hoogste Rb) stelt vast dat de IGEC bevestigt (naast milieubescherming en infrastructuur) er mede op gericht te zijn de concurrentiepositie van kleine en middelgrote ondernemingen ten opzichte van de grote winkelbedrijven te verbeteren. Het gaat in deze zaak om het verschil in behandeling tussen collectieve winkelbedrijven (tezamen op een oppervlak groter dan 2500 m2) die dan apart geen IGEC betalen en een individueel winkelbedrijf groter dan 2500 m2 dat de IGEC wel verschuldigd is (al gelden daarop ook weer uitzonderingen). Noch voor het verschil, noch voor de uitzondering is een rechtvaardiging te geven. De IGEC geldt natuurlijk in gelijke mate voor handelaren uit andere EULS maar uit cijfers blijkt dat het grootste deel van het (Catalaanse) winkeloppervlak door buitenlandse grootwinkelbedrijven in beslag wordt genomen. Die buitenlandse eigenaren kunnen de IGEC dus als een belemmering van de vrijheid van vestiging opvatten. Daarnaast ligt de vraag voor of vrijstelling van betaling van de IGEC staatssteun betekent. Het kan al voldoende zijn dat het handelsverkeer ongunstig beïnvloed wordt (C-522/13 Navantia en c-518/13 Eventech). De in deze zaak gestelde vragen luiden als volgt:

1) Moeten de artikelen 49 VWEU en 54 VWEU aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een regionale belasting die wordt geheven op het gebruik van grote individuele winkelbedrijven met een verkoopoppervlakte van 2500 m2 of meer wegens het effect dat deze op het grondgebied, het milieu en de binnenstedelijke winkelgebieden van die regio kunnen hebben, maar die uit hoofde van de wet is verschuldigd ongeacht of die winkelbedrijven daadwerkelijk binnen of buiten de geconsolideerde bebouwde kom zijn gelegen en in de praktijk in de meeste gevallen op ondernemingen van andere lidstaten drukt, gelet op het feit dat zij:

(i) niet wordt opgelegd aan handelaren die eigenaar zijn van verschillende winkelbedrijven met een oppervlakte van minder dan 2 500 m2 elk, ongeacht de totale verkoopoppervlakte van al hun winkelbedrijven;

(ii) in vrijstelling voorziet voor grote collectieve winkelbedrijven;

(iii) in vrijstelling voorziet voor individuele winkelbedrijven die actief zijn op het gebied van tuinonderhoud, en de verkoop van voertuigen, bouwmaterialen, machines en industriële componenten, en

(iv) van winkelbedrijven die voornamelijk meubels, sanitair en deuren en ramen verkopen en doe-het-zelf-centra slechts 40 % van de door hen verschuldigde belasting heft?

2) Moet artikel 107, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat als krachtens deze bepaling verboden staatssteun moeten worden aangemerkt

(i) de volledige IGEC-vrijstelling van individuele winkelbedrijven met een verkoopoppervlakte van minder dan 2 500 m2, van collectieve winkelbedrijven en individuele winkelbedrijven die actief zijn op het gebied van tuinonderhoud, en de verkoop van voertuigen, bouwmaterialen, machines en industriële componenten, en

(ii) de gedeeltelijke IGEC-vrijstelling van individuele winkelbedrijven die voornamelijk meubels, sanitair, en deuren en ramen verkopen en doe-het-zelf centra?

3) Indien de bedoelde volledige en gedeeltelijke IGEC-vrijstellingen staatssteun vormen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, welke is dan de temporele werkingssfeer van die beslissing, gelet op het bestaan en de inhoud van de brief van de directeur Staatssteun van het DG COMP van 2 oktober 2003 aan de vertegenwoordiging van het Koninkrijk Spanje bij de Europese Unie met betrekking tot zaak CP 11/01 betreffende vermeende door de autonome gemeenschap Catalonië overeenkomstig de wet van het Catalaanse parlement toegekende steun?

In zaak C-234/16 loopt de zaak bij het Hooggerechtshof van Asturië, waar verzoekster op 08-10-2003 beroep instelt tegen een besluit van 03-07-2003 tot vaststelling van een IGEC-modelverklaring. Ook hier in 2013 een klacht bij DG COMP wegens een vermoeden van (onterechte) staatssteun en bij DG MARKT wegens schending van de vrijheid van vestiging. Na verwerping van het beroep volgt cassatie bij de verwijzende rechter. Het gaat in deze zaak om de uitzondering voor (grote) winkelbedrijven die bepaalde producten verkopen (tuinspullen, auto’s, bouwmaterialen) die evenmin voor de IGEC worden aangeslagen. Het gaat om bedrijven tussen 4000 en 10.000 m2. Vóór 2005 was de drempel 2500 m2. De reden voor verhoging van de drempel is niet duidelijk geworden en of welke drempel beter in overeenstemming is met het doel (milieu/infrastructuur). Ook wordt gewezen op het verschil in behandeling van bedrijven die één groot pand hebben (en wel IGEC betalen) en bedrijven die beschikken over verschillende verspreid liggende panden (die tezamen meer dan 2500 m2 vormen, maar toch geen IGEC betalen.). Dit geldt ook voor andere EULS maar voor de buitenlandse eigenaren kan het als een belemmering van de vrijheid van vestiging voelen.

De vragen in deze zaak luiden als volgt:

1) Moeten de artikelen 49 VWEU en 54 VWEU aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen het bestaan van een regionale belasting die wordt geheven op grote winkelbedrijven met een nuttige showroom- en verkoopoppervlakte van 4 000 m2 of meer wegens het effect dat deze op het grondgebied, het milieu en de binnenstedelijke winkelgebieden van die regio hebben, maar die is verschuldigd ongeacht of die winkelbedrijven binnen of buiten de geconsolideerde bebouwde kom zijn gelegen en in de meeste gevallen op ondernemingen van andere lidstaten drukt, gelet op het feit dat zij:

(i) niet geldt voor de handelaren die eigenaar zijn van verschillende individuele of collectieve winkelbedrijven met een nuttige showroom- en verkoopoppervlakte van minder dan 4 000 m2, ongeacht de totale nuttige showroom- en verkoopoppervlakte van al hun winkelbedrijven, en

(ii) niet wordt opgelegd aan grote individuele winkelbedrijven met een nuttige showroom- en verkoopoppervlakte van minder dan 10 000 m2 wanneer zij uitsluitend actief zijn op het gebied van tuinonderhoud, en de verkoop van voertuigen, bouwmaterialen, machines en industriële componenten?

2) Moet artikel 107, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat als krachtens deze bepaling verboden staatssteun moet worden aangemerkt, de niet-onderwerping aan de Asturiaanse IGEC van individuele of collectieve winkelbedrijven met een nuttige showroom- en verkoopoppervlakte van minder dan 4 000 m2 en grote individuele winkelbedrijven met een nuttige showroom- en verkoopoppervlakte van minder dan 10 000 m2 die uitsluitend actief zijn op het gebied van tuinonderhoud, en de verkoop van voertuigen, bouwmaterialen, machines en industriële componenten?

Zaak C-235/16 is voor wat feiten en vragen betreft gelijk aan C-234/16.

In zaak C-236/16 gaat het om het beroep dat verzoekster in 2007 heeft ingesteld tegen een besluit tot het heffen van een belasting ter zake van milieuschade door grote winkelbedrijven (= IDMGAV). Ook hier de vraag of dit in strijd met de vrije vestiging en de vraag of er sprake is van (onverenigbare) staatssteun. De IDMGAV treft met name grote winkelbedrijven) met grote parkeerterreinen voor hun klanten. Er gelden uitzonderingen (producten zie C-234/16) en het betreft een ingewikkelde berekeningswijze en factoren waarmee gerekend moet worden (grondoppervlak, maatstaf van heffing). Er is in ieder geval sprake van verschil in behandeling (enz zie boven).

De vragen in deze zaak:

1) Moeten de artikelen 49 VWEU en 54 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regionale belasting die wordt geheven ter compensatie van de milieuschade als gevolg van het gebruik van voorzieningen en faciliteiten ten behoeve van de activiteiten en het verkeer waarvan sprake is bij grote winkelbedrijven met grote parkeerterreinen voor hun klanten, wanneer het gaat om een verkoopoppervlakte van meer dan 500 m2, maar die is verschuldigd ongeacht of die winkelbedrijven binnen of buiten de geconsolideerde bebouwde kom zijn gelegen en in de meeste gevallen op ondernemingen van andere lidstaten drukt, gelet op het feit dat die belasting:

(i) niet wordt opgelegd aan handelaren die exploitant zijn van verschillende winkelbedrijven, ongeacht de totale verkoopoppervlakte van die winkelbedrijven, als geen daarvan een verkoopoppervlakte van meer dan 500 m2 heeft en zelfs als een of meer daarvan wel die drempel halen, maar de maatstaf van heffing niet hoger ligt dan 2 000 m2, terwijl de heffing wel geldt voor handelaren met slechts één winkelbedrijf waarvan de verkoopoppervlakte boven die drempels ligt, en

(ii) voorts niet wordt opgelegd aan winkelbedrijven die zich uitsluitend bezighouden met de verkoop van machines, voertuigen, gereedschappen en industriële componenten; bouwmaterialen, sanitaire voorzieningen, en deuren en ramen, waarbij er alleen sprake is van verkoop aan de professionele markt; meubilair in individuele, traditionele en gespecialiseerde bedrijven; motorvoertuigen in dealershowrooms en reparatiebedrijven; kweekvoorzieningen voor tuinonderhoud en tuinaanleg, of motorbrandstoffen, ongeacht de verkoopoppervlakte van die winkelbedrijven?

2) Moet artikel 107, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat als krachtens deze bepaling verboden staatssteun moet worden aangemerkt de omstandigheid dat de IDMGAV [milieubelasting die geldt voor grote winkelbedrijven] niet wordt geheven van winkelbedrijven die niet een verkoopoppervlakte van meer dan 500 m2 hebben of die dat wel hebben, maar waarbij de maatstaf van heffing niet hoger ligt dan 2 000 m2, en winkelbedrijven die zich uitsluitend bezighouden met de verkoop van machines, voertuigen, gereedschappen en industriële componenten; bouwmaterialen, sanitaire voorzieningen, en deuren en ramen, waarbij er alleen sprake is van verkoop aan de professionele markt; meubilair in individuele, traditionele en gespecialiseerde bedrijven; motorvoertuigen in dealershowrooms en reparatiebedrijven; kweekvoorzieningen voor tuinonderhoud en tuinaanleg, of motorbrandstoffen?

Zaak C-237/16 is wat feiten en vragen betreft gelijk aan C-236/16.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-400/08 CIE/SPA; C-465/09 P en C-470/09 P Diputación Foral de Vizcaya e.a./Commissie; C-385/12 Hervis; C-87/13 X; C-518/13 Eventech; C-522/13 Navantia; C-5/14 Kernkraftwerke Lippe-Ems;

Specifiek beleidsterrein: EZ en FIN