C-249/16 Kareda

C-249/16 Kareda

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   21 juni 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       7 juli 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   7 augustus 2016
Trefwoorden: EEX; plaats van uitvoering

Onderwerp
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Hier genoemde verzoekster (verweerster in de procedure) is EST staatsburger en heeft samengewoond met verweerder. Haar huidige adres in EST is onbekend. De relatie is eind 2011 beëindigd. Haar ex-partner heeft op 03-02-2015 een vordering ingesteld tot betaling van € 17.145,41 exclusief rente/kosten voor de aflossing van de hypothecaire leningen op de in 2007 gezamenlijk aangeschafte woning. Sinds juni 2012 heeft verzoekster niet meer aan haar financiële verplichtingen voldaan en heeft verweerder niet alleen zijn eigen termijnen maar ook die van verzoekster moeten aflossen. De voor verzoekster benoemde gemachtigde heeft de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen: verzoeksters woonplaats is in EST en de beschreven situatie valt niet onder EEX-Vo. 1215/2012. Bovendien is de aangezochte rechter niet relatief bevoegd; de kredietfinanciering loopt via een OOS bank en de desbetreffende plaats van uitvoering (vestigingsplaats van de bank) ligt niet binnen het rechtsgebied van de aangezochte rechterlijke instantie.

De verwijzende OOS rechter (Oberster Gerichtshof) stelt vast dat de EEX-Vo. 1215/2012 van toepassing is in deze zaak. Analoge toepassing van rechtspraak van het HvJEU over Vo. 44/2001 leidt ertoe dat in omstandigheden waarin de woonplaats van een onderdaan van een andere EULS onbekend is, de uniforme bevoegdheidsregels van Vo. 44/2001 kunnen worden toegepast. De bepaling ‘geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat’ (in beide Vo.) mag volgens de verwijzende rechter worden toegepast indien het aangezochte gerecht over afdoende aanwijzingen beschikt die de conclusie wettigen dat de verwerende partij buiten de EU woont. In casu is vastgesteld dat verzoekster zich op een onbekend adres in EST bevindt en haar laatst bekende adres ligt in OOS. Conclusie is dat de OOS rechter bevoegd is. Op grond van OOS recht gaat de rechter ervan uit dat het hier om een contractuele vordering in de zin van artikel 7.1 van de Vo. gaat. Hij stelt hierover een vraag mocht het HvJEU dit anders zien. Daarnaast vraagt hij uitspraak van het HvJEU over de vraag onder welk (sub)artikel kredietovereenkomsten vallen. Gaat het om verstrekking van diensten? Hij vraagt bevestiging van zijn oordeel dat de plaats van uitvoering overeenkomst Wenen is en blijft, ook nadat verzoekster van woonplaats is veranderd. De vragen luiden als volgt:
1. Dient artikel 7, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „EEX-verordening 2012”) aldus te worden uitgelegd dat een recht op terugbetaling (verrekening/verhaal), dat een schuldenaar die in het kader van een (gezamenlijk) gesloten kredietovereenkomst met een bank alle aflossingstermijnen alleen heeft betaald, geldend maakt tegen de andere schuldenaar in deze kredietovereenkomst, een afgeleid (secundair) contractueel recht voortvloeiend uit de kredietovereenkomst is?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Wordt de plaats van uitvoering van het recht op terugbetaling (verrekening/verhaal) van een schuldenaar jegens de andere schuldenaar in de onderliggende kredietovereenkomst bepaald
a. op grond van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, EEX-verordening 2012 (“verstrekking van diensten”) of
b. op grond van artikel 7, punt 1, onder c), juncto onder a), EEX-verordening 2012 volgens de lex causae?
3. Voor het geval dat de tweede vraag, onder a, bevestigend wordt beantwoord:
Is de verstrekking van het krediet door de bank de voor de kredietovereenkomst kenmerkende prestatie, en wordt de plaats van uitvoering voor de verstrekking van deze dienst derhalve op grond van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, EEX-verordening 2012 bepaald door de vestigingsplaats van de bank, indien de verstrekking van het krediet uitsluitend daar is geschied?
4. Voor het geval dat de tweede vraag, onder b, bevestigend wordt beantwoord:
Is voor de bepaling van de plaats van uitvoering ten aanzien van de niet-nagekomen prestatie overeenkomstig artikel 7, punt 1, onder a), EEX-verordening 2012 doorslaggevend:
a. het tijdstip waarop beide schuldenaren de lening zijn aangegaan (maart 2007) of
b. het tijdstip waarop de tot verhaal bevoegde kredietschuldenaar de betalingen waaruit het recht van verhaal wordt afgeleid, aan de bank heeft verricht (juni 2012 tot en met juni 2014)?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-327/10 Hypotecni Banka; C-359/14 ERGO; C-475/14 Gjensidige Baltic
Specifiek beleidsterrein: VenJ