C-251/16 Cussens ea

C-251/16 Cussens ea

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   27 juni 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       13 juli 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   13 augustus 2016
Trefwoorden: btw; lease/leasebackconstructie; misbruik van recht

Onderwerp
Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (Pb 1977, L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995 (Pb 1995, L 102, blz. 18)

Verzoekers hebben gezamenlijk een bouwterrein in eigendom waarop zij vijftien vakantiewoningen gebouwd hebben voor de verkoop. Zij passen daarvoor een bijzondere constructie toe van pre-sale transacties: eerst verhuur via een langlopende leaseovereenkomst (dd. 08-03-2002) aan een aan verzoekers verbonden onderneming (Shamrock Estates Ltd – SEL) voor twintig jaar en één maand; SEL verhuurt vervolgens de zaken terug aan verzoekers voor twee jaar (kortlopende leaseovereenkomst dd. 08-03-2002). SEL betaalt de btw voor de langlopende lease, en verzoekers geven dit bedrag op bij de belastingdienst (verweerster). Op 03-04-2002 werden beide leaseovereenkomsten beëindigd waardoor verzoekers weer de volle eigendom verwierven. Daarna volgde verkoop van de woningen. Op grond van de destijds geldende btw-wet 1972 was geen btw over de transacties verschuldigd. Een langlopende lease werd als levering van goederen, een kortlopende lease als levering van diensten aangemerkt. Ook de levering van de onroerende zaken aan de eindgebruikers was hier btw-vrij.
Verweerster heeft in 2004 de aan verzoekers opgelegde aanslagen verhoogd voor btw over de periode januari 2002 – juni 2004. Verzoekers maken bezwaar maar verweerster wijst dat in juli 2005 af. Verzoekers’ beroep bij het Circuit Court wordt in oktober 2006 afgewezen; dat hof achtte de leaseovereenkomsten geen ‘commerciële realiteit’; de pre-sale transacties zijn aangegaan ter verkrijging van btw-voordeel. De zaak wordt door het Circuit Court met rechtsvragen voorgelegd aan het High Court dat 11-06-2008 hetzelfde oordeel velt, verwijzend naar het Halifax-arrest van het HvJEU: arresten van het HvJEU over misbruik zijn algemeen toepasselijk. Verzoekers zijn dan aanbeland bij de verwijzende rechter. Zij stellen met name dat het beginsel misbruik van recht een uitleggingsbeginsel is (geen materieel beginsel) en dat dit in nationale wetgeving moet zijn vastgelegd, hetgeen in 2002 niet het geval was. Het komt er dan op neer dat verweerster de nationale rechter vraagt de btw-wet contra legem uit te leggen, waarbij zij zich baseert op de leer van misbruik. De transacties vonden plaats vier jaar vóór de Halifax-uitspraak en zou ook nog sprake zijn van toepassing met terugwerkende kracht. Daarnaast is aan de door het HvJEU gestelde voorwaarden in Halifax niet voldaan omdat het misbruik niet is aangetoond.
Verweerster stelt dat de lease- en leasebackconstructie een kunstmatig gecreëerde eerste levering vormde en dat een dergelijke constructie misbruik vormt in de zin van de Zesde RL waarmee in lijn met Halifax geen rekening mag worden gehouden bij de beoordeling van de btw-plicht van verzoekers. Het beginsel van misbruik kan direct worden toegepast, het is een erkend algemeen beginsel van EUrecht.

De verwijzende IER rechter (Supreme Court) stelt vast dat het hier niet gaat om al dan niet correcte toepassing van de btw-wet zoals die in 2002 gold. Verweerster heeft op geen enkele (nationale) wettelijke bepaling kunnen wijzen ter ondersteuning van haar stelling dat er in het nationale recht uitleggingsregels bestaan die kunnen worden toegepast ter voorkoming van misbruik en dat de nationale rechters daarom de btw-wet overeenkomstig de Zesde RL en de algemene beginselen van EU-recht kunnen uitleggen. Ook is niet aangevoerd dat sprake is van fraude. De door verweerster gevraagde herdefiniëring van de transacties in de bestreden aanslagen komt in feite neer op het buiten toepassing laten van nationaal recht. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1. Heeft het beginsel van misbruik van recht, dat in het arrest van het Hof [van Justitie van de Europese Unie van 21 februari 2006] in [Halifax e.a./Commissioners of Customs and Excise, C-255/02, EU:C:2006:121] werd beschouwd van toepassing te zijn op het gebied van de btw, rechtstreekse werking jegens een particulier, wanneer een nationale – wettelijke dan wel gerechtelijke – maatregel, ter uitvoering van dat beginsel ontbreekt, in omstandigheden als de onderhavige, waarin een door de [Revenue] Commissioners voorgestelde herdefiniëring van de pre-sale transacties en de verkooptransacties aan de eindgebruiker (gezamenlijk „transacties van verzoekers” genoemd) ertoe zou leiden dat verzoekers ten aanzien van deze transacties btw-plichtig worden, terwijl ten aanzien van deze transacties geen btw-plicht bestond bij de correcte toepassing
van de nationale regelgeving zoals van toepassing op het tijdstip waarop zij door verzoekers werden verricht?
2. Indien vraag 1 aldus moet worden beantwoord dat het beginsel van misbruik van recht rechtstreekse werking heeft jegens een particulier, zelfs wanneer een nationale – wettelijke dan wel gerechtelijke – maatregel ter uitvoering van dat beginsel ontbreekt, was dat beginsel dan voldoende duidelijk en precies om op de transacties van verzoekers te worden toegepast, nu deze transacties zijn verricht vóór het arrest van het Hof in de zaak Halifax, in het bijzonder gelet op het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel inzake de bescherming van het gewettigd vertrouwen van verzoekers?
3. Indien het beginsel van misbruik van recht op de transacties van verzoekers van toepassing is, zodat deze transacties geherdefinieerd moeten worden:
(a) wat is dan het juridisch mechanisme voor de beoordeling en de inning van btw over de transacties van verzoekers, nu overeenkomstig het nationale recht de btw niet verschuldigd is en niet kan worden vastgesteld en geïnd; en
(b) hoe moet de nationale rechter een dergelijke btw-plicht opleggen?
4. Dient de nationale rechter, bij de beoordeling van de vraag of de transacties door verzoekers werden verricht met de wezenlijke bedoeling een belastingvoordeel te verkrijgen, de pre-sale transacties (waarvan vaststaat dat deze uitsluitend om fiscale redenen werden verricht) afzonderlijk te beoordelen, of moet de doelstelling van de transacties van verzoekers als geheel worden beoordeeld?
5. Dient section 4, lid 9, van de btw-wet te worden aangemerkt als nationale regelgeving ter omzetting van de [Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995 (PB 1995, L 102, blz. 18) (“Zesde richtlijn”)], ondanks het feit dat deze bepaling in strijd is met de wettelijke bepaling van artikel 4, lid 3, van de Zesde richtlijn, nu verzoekers bij de juiste toepassing daarvan ten aanzien van de levering van de gebouwen vóór eerste ingebruikneming ervan als belastingplichtigen zouden zijn aangemerkt, ook al heeft er al een eerdere overdracht plaatsgevonden die belastbaar was.
6. Indien section 4, lid 9, [van de btw-wet] in strijd is met de Zesde richtlijn, plegen verzoekers dan, door zich op deze bepaling te beroepen, misbruik van recht in strijd met de beginselen zoals door het Hof erkend in het arrest Halifax?
7. Subsidiair, indien section 4, lid 9, [van de btw-wet] niet in strijd is met de Zesde richtlijn, hebben verzoekers dan een belastingvoordeel verkregen in strijd met het doel van de richtlijn en/of section 4 [van de btw-wet]?
8. Zelfs indien section 4, lid 9, [van de btw-wet] niet geacht moet worden de Zesde richtlijn om te zetten, is het beginsel van misbruik van recht zoals vastgesteld door het Hof in het arrest Halifax dan niettemin van toepassing op de aan de orde zijnde transacties, aan de hand van de door het Hof in het arrest Halifax neergelegde criteria?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-255/02 Halifax
Specifiek beleidsterrein: FIN