C-256/16 Deichmann

C-256/16 Deichmann

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledig dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   27 juni 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       13 juli 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   13 augustus 2016
Trefwoorden: douanewetboek; antidumping; terugwerkende kracht; geldigheid uitvoeringsVo.

Onderwerp
- VWEU artikel 266 (uitvoering arresten);
- Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek;
- Verordening (EG) nr. 384/96 betreffende beschermende maatregelen tegen de invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap;
- Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 (idem);
- Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 van de Commissie van 17 februari 2016 tot vaststelling van een procedure voor de beoordeling van bepaalde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming en verzoeken om individuele behandeling van producenten-exporteurs uit China en Vietnam en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14

Verzoekster dient in april 2010 een verzoek in om schoenen uit de VRC en Vietnam in het vrije verkeer te brengen. Verweerder stelt bij aanslag van 10-05-2010 antidumpingrechten vast. De betreffende exporteurs hadden in 2005 bij de EURCIE verzocht om behandeling als marktgerichte onderneming (BMO) maar zijn toen niet toegelaten. Vo. 1472/2006 is (in arrest C-247/10 P en C-249/10 P) nietig verklaard voor partijen in die zaken. De EURCIE heeft een nieuwe uitvoeringsVo. voorgesteld maar dat voorstel is 18-03-2014 door de Raad verworpen. Verzoekster heeft 12-06-2012 (na genoemde arresten) gevraagd om terugbetaling van de antidumpingrechten wegens nietigheid van de Vo. maar dat verzoek wordt, ook na bezwaar, afgewezen (15-11-2013). Na arresten in C-659/13 en C-34/14 en publicatie van UitvoeringsVo. 2016/223 doet verzoekster een nieuwe poging en stelt dat artikel 1 van Vo. 2016/223 ongeldig is. De EURCIE zou niet aan artikel 14, lid 1, van Vo. 384/96 de bevoegdheid mogen ontlenen om de nationale douaneAut en aanvragers achteraf verplichtingen op te leggen; dat is strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook het beperkte onderzoek naar de producenten/exporteurs die om een BMO of een individuele behandeling (IB) verzocht hebben acht zij strijdig met VWEU artikel 266.

De verwijzende DUI rechter (Finanzgericht Düsseldorf) stelt dat Vo. 2016/223 wegens vaagheid van diverse bepalingen reeds ongeldig zou kunnen zijn. Er is geen uitzonderlijke reden genoemd die toepassing met terugwerkende kracht kan rechtvaardigen. Hernieuwde invoering op basis van artikel 10 van Vo. 384/96 is niet mogelijk; het moet dan gaan om goederen die ten hoogste 90 dagen vóór de inwerkingtreding van de voorlopige maatregelen in het vrije verkeer zijn gebracht, op voorwaarde dat de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, van die Vo. is geregistreerd. Hij voorziet problemen aangezien het om herbeoordeling van verzoeken van meer dan tien jaar geleden gaat en de vraag is of de producenten-exporteurs nog wel traceerbaar zullen zijn en of het voor hun nog wel mogelijk is hun verdedigingsrechten waar te nemen.
De vraag die hij aan het HvJEU voorlegt luidt:
“Is uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 van de Commissie van 17 februari 2016 tot vaststelling van een procedure voor de beoordeling van bepaalde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming en verzoeken om individuele behandeling van producenten-exporteurs uit China en Vietnam en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 geldig?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-659/13 C & J Clark Intl; C-34/14 Puma; -283/14 en C-284/14 Eurologistik e.a.
Specifiek beleidsterrein: BZ-BEB en FIN