C-258/16 Finnair

C-258/16 Finnair

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   27 juni 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       13 juli 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   13 augustus 2016
Trefwoorden: luchtvaart; Verdrag van Montreal; schadevergoeding; regresrecht; consumentenbescherming

Onderwerp
- Besluit 2001/539 tot goedkeuring van het Verdrag van Montreal
- Verordening (EG) nr. 889/2002, tot wijziging van verordening (EG) nr. 2027/97 van de Raad betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders met betrekking tot het luchtvervoer van passagiers en hun bagage

Een passagier meldt op 01-11-2010 na een vlucht met verzoekster Finnair telefonisch dat uit haar koffer spullen ontbraken. Deze melding is ingevoerd in het elektronische schadeinformatiesysteem. De passagier vraagt twee dagen later om een verklaring voor haar verzekering (verweerster Fennia) waarvan zij een vergoeding ontvangt. Fennia vordert vervolgens van verzoekster vergoeding van de schade maar verzoekster stelt dat de passagier niet tijdig (binnen zeven dagen na ontvangst van de bagage) schriftelijk protest heeft ingediend. De door verzoekster opgestelde verklaring is geen protest in de zin van artikel 31 van het Verdrag van Montreal. De Rb oordeelt 04-09-2012 dat in artikel 31 is vastgelegd dat de melding schriftelijk moet plaatsvinden, maar niet precies in welke vorm. Op de website van verzoekster staat vermeld dat een melding telefonisch kan maar een claim schriftelijk moet worden ingediend. De vordering van Fennia wordt verworpen omdat de termijn waarbinnen de claim had moeten worden ingediend is overschreden. In beroep oordeelt de rechter 28-02-2014 dat onder meer in zaak C-410/11 de aansprakelijkheid van luchtvervoerders word benadrukt (Vo. 889/2002). In artikel 6 van de Vo. wordt bepaald dat op alle verkooppunten passagiers de beschikking krijgen over de belangrijkste bepalingen (voor deze zaak de termijnen voor indienen eis tot schadeloosstelling). Hij acht de instructies op internet van verzoekster niet duidelijk genoeg. Verweerster had, na verkrijging van de verklaring van de passagier, geen gegronde reden om aan te nemen dat het protest niet op de juiste wijze was gedaan. Het vonnis wordt vernietigd; verzoekster gaat in hoger beroep bij de verwijzende rechter.

De verwijzende FIN rechter (Hooggerechtshof) stelt vast dat allereerst moet worden onderzocht wat het vereiste van een schriftelijke vorm inhoudt. Hij wijst op RL 31/2000 (elektronische handel) waarin de eis dat de regels met betrekking tot de totstandkoming van contracten geen belemmering vormen voor het gebruik van langs elektronische weg gesloten contracten. In het algemeen wordt in het EUrecht gestreefd dat aan een vereiste van schrijftelijke vorm met elektronische middelen kan worden voldaan. Het Verdrag van Montreal is niet duidelijk over de eisen die aan protest worden gesteld. Hij wijst op vormvoorschriften van kennisgeven in andere overeenkomsten (minder strikt) en op het aspect van consumentenbescherming. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1. Dient artikel 31, lid 4, van het Verdrag van Montreal aldus te worden uitgelegd dat voor het behoud van de rechtsvordering, het protest niet alleen tijdig, maar ook schriftelijk in de zin van artikel 31, lid 3, wordt gedaan?
2. Indien voor het behoud van de rechtsvordering is vereist dat het tijdige protest in schriftelijke vorm wordt gedaan, dient artikel 31, lid 3, van het Verdrag van Montreal dan aldus te worden uitgelegd dat aan het vereiste van schriftelijke vorm kan worden voldaan met elektronische middelen, daaronder begrepen registratie van de gemelde schade in het informatiesysteem van de vervoerder?
3. Staat het Verdrag van Montreal in de weg aan een uitlegging volgens welke aan het vereiste inzake schriftelijke vorm wordt geacht te zijn voldaan wanneer een vertegenwoordiger van de luchtvaartmaatschappij, met medeweten van de passagier, de schadeaangifte/het protest in schriftelijke vorm, op papier of elektronisch, in het systeem van de vervoerder opneemt?
4. Worden in artikel 31 van het Verdrag van Montreal andere inhoudelijke eisen aan het protest gesteld dan dat de vervoerder in kennis wordt gesteld van de veroorzaakte schade?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-410/11 Espada Sánchez e.a.
Specifiek beleidsterrein: IenM, VenJ, EZ