C-281/16 Vereniging Hoekschewaards Landschap

C-281/16 Vereniging Hoekschewaards Landschap

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   08 juli 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       24 juli 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   24 augustus 2016

Trefwoorden: Habitat- en VogelRichtlijn; Natura 2000; speciale beschermingszones (SBZ)

Onderwerp: - richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb 1979 L 103), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2009/147/EG van het EP en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (Pb 2009 L 20;

- richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 1992 206), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EG van 13 mei 2013 (Pb 2013 L 158)

Het natuurgebied ‘Haringvliet’ is bij besluit van 28-04-2015 door StasEZ (verweerder) aangewezen als SBZ in de zin van de habitatRL en het besluit van 24-03-2000 (SBZ in de zin van de VogelRL). Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit omdat daarbij de Leenheerenpolder is uitgesloten van de SBZ. Zij betoogt dat het uitvoeringsbesluit van de EURCIE, op basis waarvan het besluit door verweerder is genomen, ongeldig is. De Leenheerenpolder is op de lijst van gebieden van communautair belang (GCB) geplaatst bij beschikking van de EURCIE van 07-12-2004. Verzoekster stelt dat redenen voor verkleining van een gebied slechts inhouden dat bij de oorspronkelijke plaatsing op de GCB-lijst een aantoonbare vergissing is gemaakt dan wel een kwaliteitsverlies in het gebied is opgetreden dat buiten de invloedssfeer van de LS ligt, onder verwijzing naar conclusie AG in C-191/05. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat een aantal (herstel-)doelen waarvoor het gebied ‘Haringvliet’ is aangewezen zonder de Leenheerenpolder kan worden behaald; verzoekster is van mening dat dit niet (voldoende) mogelijk is waarbij zij zich baseert op rapporten van Royal Haskoning (in opdracht van Natuurmonumenten). Uit de zesjaarlijkse evaluatie (2013) die NL aan de CIE heeft uitgebracht blijkt ook dat geen sprake is van verbetering. StasEZ stelt echter dat ook zonder de Leenheerenpolder de hersteldoelen nog steeds kunnen worden gehaald en wijst daarbij op verschillende reeds genomen maatregelen, en dat in het besluit de hersteldoelen niet zijn gekwantificeerd.

In de verwijzingsbeschikking is een kaartje opgenomen om welk gebied het gaat. De Leenheerenpolder was eerder in de SBZ opgenomen, niet als GCB, maar als geschikte polder om te worden ontwikkeld voor herstel van diverse te beschermen habitattypen en –soorten. De zaak is naar aanleiding van het besluit van 04-07-2013 (aanwijzing ‘Haringvliet’ als SBZ) aan de RvS voorgelegd waarbij dat besluit is vernietigd wegens het ontbreken van de Leenheerenpolder als onderdeel van het habitatRL-gebied (uitspraak 01-10-2014). Als gevolg van gewijzigd beleid (alleen bescherming bieden op het niveau van Natura 2000-gebieden indien dit noodzakelijk is krachtens EU-verplichtingen) heeft NL 01-10-2013 de EURCIE verzocht om de Leenheerenpolder niet op te nemen. Dit verzoek is gehonoreerd bij besluit van 03-12-2014. In een begeleidende brief stelt de EURCIE dat sprake zou zijn van een ‘wetenschappelijke fout’ om de polder op de GCB-lijst te plaatsen. In het nieuwe besluit van StasEZ van 28-04-2015 is de Leenheerenpolder dan ook uitgesloten. De zaak ligt nu opnieuw voor bij de RvS.

Na te hebben vastgesteld dat voor verzoekster geen beroep op grond van VWEU artikel 263 openstaat moet de verwijzende NL rechter (Raad van State) onderzoeken of sprake is van twijfel aan de geldigheid van het EURCIE-besluit. Met name de conclusie van de EURCIE waarmee plaatsing op de GCB-lijst wordt gekwalificeerd als een ‘wetenschappelijke fout’ roept vragen op. Niet in geschil is dat de polder tot verwezenlijking van de RL-doelstellingen kan bijdragen. Wel of intrekking van de status op basis van de habitatRL mogelijk is (C-191/05 ging over de VogelRL) gezien de stelling van verweerder dat achteraf bezien herstel mogelijk is zonder gebruik te maken van de Leenheerenpolder. Hij legt de volgende vraag voor aan het HvJEU:

“Is het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 3 december 2014 tot vaststelling van een achtste bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PB 2015 L18, p. 385 en verder) voor zover hierbij het gebied ‘Haringvliet’ (NL1000015) op deze lijst is geplaatst zonder dat de Leenheerenpolder hiervan deel uitmaakt geldig?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-191/05 CIE/POR;

Specifiek beleidsterrein: EZ en IenM