C-283/16 S

C-283/16 S

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   08 juli 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       24 juli 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   24 augustus 2016

Trefwoorden: EEX; alimentatie

Onderwerp: verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (Pb 2009, L 7, blz. 1)

Verzoekster (moeder) heeft de DUI nationaliteit. Zij is in 2012 gescheiden van haar Engelse echtgenoot. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren (2007 en 2011). De rechter die de echtscheiding heeft uitgesproken (Amtsgericht Walsrode) heeft bij beschikking van 07-08-2014 de alimentatie bepaald. Moeder en kinderen wonen nog in DUI, de vader (verweerder) werkt in VK. Verweerder weigert de alimentatie te betalen omdat verzoekster contact met zijn kinderen zou tegenwerken. Verzoekster heeft bij verzoekschrift van 07-08-2014 de VK-rechter gevraagd om tenuitvoerlegging van de DUI beschikking op grond van Vo. 4/2009. De vraag die in deze zaak voorligt is een procedurele: namelijk of een verzoek tot tenuitvoerlegging rechtstreeks bij het Family Court kan worden ingediend of dat dit via de Lord Chancellor moet lopen die het vervolgens door tussenkomst van de eenheid wederzijdse tenuitvoerlegging van alimentatiebeslissingen (REMO) aan het Family Court doorstuurt.

Voor de verwijzende VK rechter (High Court of Justice – Family Division) aan wie de zaak op 14-07-2015 wordt voorgelegd is de kwestie niet geheel duidelijk. Recente rechtspraak vertonen een innerlijke tegenstrijdigheid in de juridische benadering. In de ene zaak was sprake van een onjuistheid in de nationale wetgeving tot uitvoering van de Vo. waardoor een rechtstreeks verzoek niet mogelijk is, in de andere zaak, waar het ging om een wijziging van de alimentatiebeschikking, werd geoordeeld dat het niet noodzakelijk was een oordeel te geven over de juiste benadering, ondanks het feit dat de analyse van de wetgeving niet geheel in overeenstemming was met de gevolgde redenering. De kwestie is nog altijd niet opgelost en gezien het grote aantal verzoeken van in andere EULS verblijvende alimentatiegerechtigden is een dwingende vaststelling thans noodzakelijk. De rechter schetst uitgebreid de achtergrond van de kwestie van deze ‘dubbelzinnigheid’. Hij wijst met name op het spoedeisende karakter van beslissingen in alimentatiekwesties, zoals met de Vo. wordt beoogd (‘Een onderhoudsgerechtigde dient in een lidstaat gemakkelijk een beslissing te kunnen verkrijgen die automatisch, zonder enige andere formaliteit uitvoerbaar is in een andere lidstaat.’) Verzoekster heeft gewezen (door verweerder niet weersproken) op artikel 20 van de Vo. waarin is bepaald dat stukken voor de tenuitvoerlegging moeten worden verstrekt aan ‘de bevoegde autoriteiten die met de tenuitvoerlegging belast zijn’, waaruit duidelijk kan worden opgemaakt dat hiermede het Family Court wordt bedoeld. Uit de Engelse regelgeving (tenuitvoerlegging Vo.) blijkt echter dat alle verzoeken via REMO moeten lopen. De vraag is dan ook of deze beperking van de rechten van de moeder al dan niet in strijd is met het stelsel van de alimentatieVo. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:

(i) In het geval waarin een alimentatiegerechtigde in de ene lidstaat tenuitvoerlegging van een beschikking wil verkrijgen die in een andere lidstaat is gegeven, verleent hoofdstuk IV van [verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1)] (“alimentatieverordening”) haar dan een recht om rechtstreeks bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat een verzoek tot tenuitvoerlegging in te dienen?

(ii) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, dient hoofdstuk IV van de alimentatieverordening dan aldus te worden uitgelegd dat elke lidstaat verplicht is om in een procedure of mechanisme te voorzien waardoor dit recht wordt erkend?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-400/13 en C-408/13 Sanders e.a.

Specifiek beleidsterrein: VenJ