C-289/16 Kamin und Grill Shop

C-289/16 Kamin und Grill Shop

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   11 juli 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       27 juli 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   27 augustus 2016

Trefwoorden: landbouw; biologische producten;

Onderwerp: - verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 2092/91 (Pb 2007, L 189, blz. 1).

Verzoekster exploiteert via internet een postorderbedrijf voor open haard- en barbecuebenodigdheden. Zij verkocht in december 2012 onder meer een kruidenmelange onder de naam ‘biokruiden’. Haar activiteiten vielen toen nog niet onder het controlesysteem van de Vo. biologische productie/etikettering. Artikel 28 lid 1 van de Vo. eist dat een onderneming zich aan het in de Vo. genoemde controlesysteem onderwerpt alvorens haar producten als biologische producten in de handel te brengen.

De DUI NMa (verweerster) verwijt verzoekster bij aanmaningsbrief van 28-12-2012 dat zij met haar aanbod artikel 28 lid 1 van Vo. 834/2007 schendt en eist een onthoudingsverklaring met boetebeding. Verzoekster voldoet aan die vordering. Daarna start verweerster alsnog een procedure en eist van verzoekster terugbetaling van een deel van de kosten (EUR 219,35) die zij voor de aanmaning heeft moeten maken. De eerste rechter wijst de vordering af, maar in hoger beroep wordt verweerster in het gelijk gesteld; de kosten mogen verhaald worden omdat verweerster terecht heeft gemaand. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

Voor de verwijzende DUI rechter (Bundesgerichtshof) hangt het slagen van de Revision af van de uitleg van artikel 28, lid 2 van de Vo. Verzoekster heeft de kruiden als ‘bioproduct’ aangeboden maar niet voldaan aan de uit de Vo. voortvloeiende verplichtingen. Pas sinds begin 2013 wordt zij gecontroleerd. De vraag is of verzoekster op grond van de DUI Eko-landbouwwet was vrijgesteld van die verplichting nu zij de biokruiden (artikel 28 lid 2 van de Vo.) ‘direct’ aan de eindverbruiker heeft verkocht. De voorwaarde waaraan moet worden voldaan is dat de marktdeelnemer deze producten niet zelf produceert, bereidt of opslaat op een plaats die geen verband houdt met het verkooppunt, die biologische producten niet uit een derde land invoert of dergelijke activiteiten niet aan een derde partij heeft uitbesteed. De uitkomst van het geding hangt af van de uitleg van het begrip ‘direct’ aan de eindverbruiker. Hij legt de volgende vraag voor aan het HvJEU:

“Is er al sprake van een ‘directe’ verkoop aan de eindconsument in de zin van artikel 28, lid 2, van verordening (EG) nr. 834/2007 wanneer de marktdeelnemer of diens verkooppersoneel de producten aan de eindconsument verkoopt zonder tussenkomst van een derde, of vooronderstelt een ‘directe’ verkoop bovendien dat de verkoop gebeurt in de opslagplaats van de producten in aanwezigheid van zowel de marktdeelnemer of zijn verkooppersoneel als de eindconsument?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZ, VWS