C-452/16 (PPU) X

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   n.v.t. (NL PPU)
Schriftelijke opmerkingen:                   n.n.b.

Trefwoorden: Europees aanhoudingsbevel (EAB); begrip ‘rechterlijke autoriteit’

Onderwerp: - kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de overleveringsprocedure tussen de lidstaten

Verzoeker heeft de POL nationaliteit. Tegen hem is door de Swedish National Police Board op 30-06-2014 een EAB uitgebracht; verzoekers overlevering is verzocht ten behoeve van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar en drie maanden en opgelegd (voornamelijk) wegens ‘zware mishandeling’.

NL OM heeft de volgende vragen gesteld aan zijn ZWE collega:

“1. Zijn sinds het evaluatieverslag van 2008 en de Zweedse reactie daarop van 2011 de positionering, structuur en aansturing van The National Police Board en The International Police Cooperation Division gewijzigd en, zo ja, in welk opzicht?

2. Zijn The National Police Board en The International Police Cooperation Division onafhankelijk van de uitvoerende macht bij de uitvaardiging van EAB 's?

3. Op basis van welke criteria en volgens welke procedure beslissen The National Police Board en The International Police Cooperation Division over de uitvaardiging van EAB's ter tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen?”

De door ZWEaut gegeven antwoorden (zie de pagina’s 6 – 10 van de verwijzingsbeschikking) geeft de verwijzende rechter reden zich af te vragen of sprake is van uitvaardiging van het EAB door een ‘rechterlijke autoriteit’ zoals aangegeven in artikel 1.1 van Kaderbesluit 2002/584, met name in het licht van de zaak C-241/15 Bob Dogi.

De verwijzende NL rechter (Rb Amsterdam) ziet dat artikel 6, tweede lid, van het kaderbesluit zo kan worden gelezen dat het aan het nationale recht is overgelaten om te bepalen wat een rechterlijke autoriteit is, maar ook zo dat het alleen aan het recht van de uitvaardigende EULS wordt overgelaten om, met inachtneming van het autonoom en uniform uit te leggen begrip 'rechterlijke autoriteit', de bevoegde nationale autoriteiten aan te wijzen. Aangezien het HvJEU zich nog niet heeft uitgesproken over de vraag welke rechterlijke bescherming op het niveau van uitvaardiging van het EAB gewaarborgd moet zijn legt hij het HvJEU de volgende vragen voor (gecorrigeerde versie):

1. Vormen de uitdrukkingen 'rechterlijke autoriteit' zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en 'rechterlijke beslissing' zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ autonome begrippen van Unierecht?

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt: aan de hand van welke criteria kan worden vastgesteld of een autoriteit van de uitvaardigende lidstaat een dergelijke 'rechterlijke autoriteit' is en het door haar uitgevaardigde EAB bijgevolg een dergelijke 'rechterlijke beslissing is?

3. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt: valt the Swedish National Police Board onder het begrip 'rechterlijke autoriteit' zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en is het door deze autoriteit uitgevaardigde EAB bijgevolg een 'rechterlijke beslissing' zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ?

4. Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt: is de aanduiding van een nationale politieautoriteit zoals the Swedish National Police Board als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in overeenstemming met het Unierecht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-168/13 PPU Jeremy F.; C-241/15 PPU Bob Dogi; C-404/15 en C-659/15 PPU Aranyosi en Cäldäraru; C-108/16 Dworzecki;

Specifiek beleidsterrein: VenJ