C-104/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   14 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       1 mei 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   31 mei 2017

Trefwoorden: verpakking(safval); principe ‘de vervuiler betaalt’

Onderwerp: - richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (Pb 1994 L 365, blz. 10).

Verzoekster heeft in de periode 18-08-2011 – 31-12-2014 in het buitenland gekochte verpakte producten op de ROE markt verhandeld. Zij doet vanwege de (ongewijzigde) verpakkingen aangifte ten behoeve van de wettelijke bijdragen aan het milieufonds. Tussen 30-03 – 02-04-2015 vindt in verzoeksters bedrijfsruimten een fiscale controle plaats over de periode 18-08-2011 – 31-12-2014. Daarbij wordt vastgesteld dat de ingevoerde producten zeer divers zijn (zowel vis al modeaccessoires) en dat verzoekster niet beschikt over een in de ROE regelgeving voorgeschreven verpakkingsafvalbeheers-systeem. Verweerder (Milieufonds) stelt vast dat verzoekster haar laatste aangifte laattijdig heeft ingediend. Uit de administratie blijkt geen enkele afdracht aan het milieufonds en verzoekster heeft het afval niet teruggewonnen of gerecycled. Over 2014 wordt een verschil in aangegeven en door de toezichthouder vastgestelde hoeveelheid geconstateerd, te wijten aan fouten in de berekeningswijze. Verzoekster krijgt 20-04-2015 een aanvullende betalingsverplichting opgelegd, waartegen zij in rechte opkomt. Zij stelt dat zij geen vervuiler is en dat met de belasting geen uitvoering wordt gegeven aan (artikel 15 van) RL 94/62 zodat een rechtsgrondslag ontbreekt. Verweerder stelt dat de ROE regeling omzetting is van RL 94/62; de aan verzoekster opgelegde betalingsverplichting is dan ook niet in strijd met de ROE regeling. Verzoekster stelt ten onrechte geen vervuiler te zijn aangezien zij ingevoerde verpakte producten zonder interventie wat betreft de verpakking doorverkoopt. De ROE wet regelt het op de nationale markt in de handel brengen van verpakte producten en de verhandeling daarvan op de ROE markt. Verzoekster legt de zaak 21-12-2015 voor aan de Rb Valcea die 06-05-2016 het beroep ongegrond verklaart. Artikel 15 verplicht het opleggen van nationale maatregelen ter bereiking van de doelstellingen, waaronder het beginsel ‘de vervuiler betaalt’. Uit de RL kan niet worden afgeleid dat verzoekster geen vervuiler is. Verzoekster gaat in hoger beroep bij de verwijzende rechter. Zij blijft bij haar mening dat zij geen ‘vervuiler’ is; dat begrip is enkel van toepassing op marktdeelnemers die leveren aan eindverbruikers. De heffing is opgelegd op grond van de ROE regeling uit 2005. RL 94/62 is pas omgezet bij een wet uit 2015; uit die wet blijkt dat gezien verzoeksters intermediaire rol op haar geen verplichting rust om milieubelasting op verpakkingen te betalen.

De verwijzende ROE rechter (Hof Pitesti) refereert aan arrest C-198/14 waarin het HvJEU oordeelde dat (VWEU artikel 110 en) de bepalingen van RL 94/62 zich niet verzetten tegen een regeling van een LS waarbij accijns wordt ingesteld op bepaalde drankverpakkingen, maar daarnaast voorziet in vrijstelling indien die verpakkingen onder een functionerend retoursysteem vallen. Om de zaak te kunnen beslissen heeft de verwijzende rechter nadere uitleg van het HvJEU nodig over artikel 15, jo. artikel 3.11 van RL 94/62. Daarbij is in casu de beslissende vraag of een marktdeelnemer die geen handelingen verricht die een impact hebben op het verpakte product of op de verpakking, die geen intermediaire rol vervult in de door het product op de markt doorlopen handelsketen, en die het product doorverkoopt zoals hij het heeft gekocht, onder het begrip ‘onderneming” in de zin van dat artikel. De vraag luidt als volgt:

„Dient artikel 15 van richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval aldus te worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat van de Europese Unie een wettelijke regeling vaststelt waarbij een bijdrage wordt ingevoerd voor ondernemingen die verpakte producten of verpakkingen op de nationale markt brengen, zonder dat zij deze op enigerlei wijze be- of verwerken, en die deze producten ongewijzigd verkopen aan een marktdeelnemer die ze zijnerzijds doorverkoopt aan de eindverbruiker, waarbij deze bijdrage wordt berekend per kilogram op basis van het verschil tussen enerzijds de hoeveelheden verpakkingsafval die overeenstemmen met de minimale doelstellingen inzake de terugwinning of verbranding in afvalverbrandingsinstallaties met energieterugwinning en nuttige toepassing door recycling, en anderzijds de hoeveelheden verpakkingsafval die daadwerkelijk worden teruggewonnen of verbrand in afvalverbrandingsinstallaties met energieterugwinning en nuttige toepassing door recycling?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-198/14 Visnapuu

Specifiek beleidsterrein: IenM