C-106/17

   Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.


Termijnen: Motivering departement:   25 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       11 mei 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   11 juni 2017

Trefwoorden: EEX; bevoegde rechter; motorrijtuigenverzekering

Onderwerp: verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;
- richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (Pb 2009, L 263, blz. 11).

Op 04-07-2014 vindt een plaats aanrijding in DUI, veroorzaakt door een DUI bestuurder verzekerd bij verweerster LVM. De POL bestuurder heeft schade en huurt een vervangend voertuig van 12-07 – 22-09-2014. De schade wordt afgehandeld door AVUS, de vertegenwoordigster van LVM in POL. Aangezien het uitgekeerde bedrag veel te laag is start de bestuurder een procedure waarin hij vergoeding van het gehele huurbedrag eist.
Op 22-09-2014 wordt deze vordering gecedeerd aan verzoeker, die naast een groothandel in uurwerken waaronder hij in het ondernemingsregister staat ingeschreven, op zijn internetsite zich van een andere naam beient waaruit blijkt dat hij zich bezig houdt met het te gelde maken van schadevergoedingen, waaronder die jegens verzekeraars. Verzoeker brengt de vordering 02-02-2015 voor de Rb Szczezin en beroept zich wat bevoegdheid betreft op het POL verbintenissenrecht en op arrest C-463/06. Verweerster stelt dat de vordering moet worden afgewezen op grond van artikel 9.1 jo. artikel 11.2 van Vo. 44/2001: het begrip ‘getroffene’ in artikel 11.2 moet aldus worden uitgelegd dat enkel een getroffene in letterlijke zin een zaak jegens een verzekeraar aanhangig kan maken bij het gerecht van zijn eigen woonplaats, zijnde de zwakkere en juridisch minder ervaren partij, en niet zoals verzoeker een ondernemer die beroepsmatig deze diensten verricht. De rechter verklaart zich echter 13-05-2015 bevoegd om kennis te nemen van het geding, ook al is verzoekende partij niet zelf de benadeelde. Verweerster gaat in beroep bij de verwijzende rechter omdat niet is ingegaan op verzoekers kwalificatie. Hij wijst erop dat de bevoegdheidsregel in artikel 13.2 van Vo. 1215/2012 een uitzondering is op de algemene regel in artikel 4, zodat hij niet ruim kan worden uitgelegd. Verzoeker wijst op de POL regelgeving die stelt dat ‘zaken die zien op een verzekering tegen een verzekeraar [behoren tot de rechtsmacht van de nationale rechter] ook indien de verzoekende partij woonplaats heeft in de Republiek Polen.’ Hij wijst daarnaast op zijn status als ‘natuurlijk persoon’.

De verwijzende POL rechter (Ondernemingskamer Rb Szczecin) stelt vast dat voor beslissing in deze zaak de uitleg van artikel 13.2 jo. artikel 11.1 onder b) van Vo. 1215/2012 van fundamenteel belang is. In casu kan alleen worden aangeknoopt bij de persoon van de getroffene. Volgens RL 2009/103 heeft het stelsel van schaderegelaars in de LS die zijn aangewezen door de verzekeringsondernemingen van de partij die aansprakelijk is voor de schade als gevolg van een verkeersongeval, geen gevolgen voor de aanwijzing van de bevoegde rechter. Hij wijst op arrest C-77/04 voor wat betreft de bescherming van de zwakkere partij, en C-347/08 voor het begrip ‘getroffene’ op grond waarvan hij twijfelt over de definitie van de ‘indirect getroffen persoon’ op wie het recht van de rechtstreeks getroffene is overgegaan. In C-347/08 ging het om een sociale zekerheidsorgaan dat geen beroep op artikel 9.1 b kon doen. In eerdere arresten (laatstelijk C-433/01) heeft het HvJEU verklaard dat de verkrijger van een recht die in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep een zaak aanhangig maakt om een vordering van de vervreemder uit een overeenkomst met een consument geldend te maken, niet kan profiteren van de bijzondere bevoegdheidsregels inzake door consumenten gesloten overeenkomsten omdat hun doel de bescherming van de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren partij is. Hij legt het HvJEU de volgende vraag voor:

“Moet de verwijzing in artikel 13, lid 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, naar artikel 11, lid 1, onder b), van deze verordening aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die als ondernemer onder meer schadevergoedingsverzoeken jegens een verzekeraar geldend maakt en zich beroept op een bij overeenkomst verkregen vorderingsrecht van een rechtstreeks getroffen persoon, een zaak betreffende dat vorderingsrecht aanhangig kan maken tegen de wettelijkeaansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker van een verkeersongeval die gevestigd is op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van de woonplaats van de getroffen persoon bij een gerecht van de lidstaat van de woonplaats van de getroffen persoon?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-77/04 GIE Réunion européenne; C-463/06 FBTO; C-347/08 Vorarlberger Gebietskrankenkasse;

Specifiek beleidsterrein: VenJ; IenM