C-108/17 Enteco Baltic

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   28 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       14 mei 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   14 juni 2017

Trefwoorden: btw; neutraliteitsbeginsel; goede trouw

Onderwerp: - richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

- richtlijn 2009/69/EG van de Raad van 25 juni 2009 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft belastingfraude bij invoer.

Verzoekster drijft een groothandel in brandstoffen. Tussen 2010 – 2012 voert zij brandstof in vanuit Belarus waarover geen btw werd geheven omdat de goederen bestemd zijn voor uitvoer naar andere EULS (POL, SLW, HON). Bij de invoeraangifte geeft verzoekster de btw-nummers op van kopers. De verkoopbedingen houden in dat verzoekster zich verbindt om de brandstof te vervoeren naar de koper in LIT die voor verder vervoer zorgdraagt. Hiervoor wordt een CMR-vrachtbrief ingevuld en een btw-factuur opgesteld voor de kopers waarna aflevering volgt op een belastingdepot in POL waarvan het btw-nummer niet in de facturen is vermeld. Verzoekster ontvangt dan elektronisch bevestiging dat de goederen zijn afgeleverd, later ontvangt zij de vrachtbrieven met aantekening van ontvangst. Soms vindt levering plaats aan een koper wiens btw-nummer niet in de eerste aangifte is vermeld, maar dat geeft verzoekster dan door in haar maandelijkse aangifte. Bij een belastingcontrole in 2012 over de genoemde periode stelt de belastingdienst onregelmatigheden in de btw-nummers en in de CMR-vrachtbrieven vast, past de btw-gegevens ambtshalve aan maar stelt geen aanslag vast. Belastingdienst krijgt dan uit andere EULS informatie over mogelijke fraude bij toepassing van de douaneprocedure. De buitenlandse diensten waren niet in staat te bevestigen dat de brandstoffen waren ontvangen; zij hadden geen btw-aangiften over het tijdvak ontvangen, de genoemde bedrijven waren niet op de aangegeven adressen te vinden of reageerden niet op oproepen. Belastingdienst kan echter bij verzoekster geen onregelmatigheden ontdekken voor wat betreft de leveringen. Douanekantoor Vilnius doet dan een eigen onderzoek en ontdekt wel onregelmatigheden in de afleveringen. Verzoekster achterhaalt via een door de NAVO gecertificeerd POL bedrijf meer vervoerdocumenten maar kon niet nog meer informatie krijgen omdat gegevens alleen aan overheidsinstanties mochten worden verstrekt. En douane Vilnius wil daaraan niet meewerken. Verzoekster krijgt een aanslag met boete en rente opgelegd waartegen zij bezwaar aantekent bij de Geschillencommissie die oordeelt dat verzoekster niet heeft aangetoond de beschikkingsmacht over de goederen te hebben overgedragen aan de in de facturen genoemde personen. Daarnaast oordeelt zij dat de zaak tevens vanuit het oogpunt van goede trouw beoordeeld moet worden, waarover de douane zich niet had uitgelaten. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

De verwijzende LIT rechter (regionale bestuursrechter Vilnius) stelt vast dat partijen van mening verschillen over de juiste uitleg van artikel 143.1 d) van RL 2006/112 (behoort vermelding van het btw-nummer van de beoogde afnemer tot de materiële of administratieve voorwaarden voor vrijstelling van btw), het juridisch belang van de CMR-vrachtbrieven en het begrip ‘overdracht van beschikkingsmacht’ (eveneens uit artikel 143.1 d) vanuit het oogpunt van neutraliteit btw en de goede trouw. Voor wat betreft het overgelegde bewijsmateriaal vraagt de verwijzende rechter een oordeel van het HvJEU. Hij stelt de volgende vragen:

1) Moet artikel 143, lid 2, van de btw-richtlijn aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de belastingdienst van een lidstaat weigert om de vrijstelling waarin artikel 143, lid 1, onder d), van die richtlijn voorziet, toe te passen om de enkele reden dat op het tijdstip van invoer de goederen bestemd waren om te worden geleverd aan een bepaalde btw-plichtige, wiens btw-nummer derhalve op de aangifte van invoer stond vermeld, terwijl de goederen later, na een wijziging van omstandigheden, werden vervoerd naar een andere belastingplichtige persoon (btw-plichtige) en de overheidsinstantie volledige informatie over de identiteit van de werkelijke koper ontving?
2) Kan artikel 143, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn onder omstandigheden als in de onderhavige zaak aldus worden uitgelegd, dat documenten die niet zijn weerlegd [elektronische vervoerdocumenten (e-AD), vrachtbrieven en elektronische verklaringen van ontvangst (e-ROR)] en die het vervoer van de goederen van een belastingdepot op het grondgebied van een lidstaat naar een belastingdepot in een andere lidstaat bevestigen, worden aangemerkt als voldoende bewijs dat de goederen naar een andere lidstaat zijn vervoerd?
3) Moet artikel 143, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn aldus worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat de belastingdienst van een lidstaat weigert om de vrijstelling waarin die bepaling voorziet, toe te passen wanneer de beschikkingsmacht niet rechtstreeks aan de koper van de goederen was overgedragen, maar via de door de koper aangewezen personen (vervoerondernemingen/belastingdepots)?
4) Is een administratieve praktijk in strijd met de beginselen van de neutraliteit van de btw en de bescherming van gewettigd vertrouwen, wanneer in die praktijk verschillende uitleggingen worden gehanteerd van het begrip “overdracht van de macht om te beschikken” en van de aan het bewijs van een dergelijke overdracht te stellen eisen, al naar gelang artikel 167 of artikel 143, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn van toepassing is?
5) Strekt het beginsel van de goede trouw in het kader van de btw-heffing zich tevens uit tot het recht van personen op vrijstelling van btw bij invoer (uit hoofde van artikel 143, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn) in een geval als aan de orde in het hoofdgeding, namelijk dat waarin het douanekantoor een belastingplichtige het recht op vrijstelling van btw bij invoer ontzegt op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden dat de goederen verder zouden worden geleverd binnen de Europese Unie (artikel 138 van de btw-richtlijn)?
6) Moet artikel 143, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een administratieve praktijk van een lidstaat waarin het vermoeden dat
i) de macht om te beschikken niet was overgedragen aan een specifieke contractspartner, en
ii) de belastingplichtige wist of had kunnen weten dat die contractspartner mogelijk btw-fraude had gepleegd, wordt gebaseerd op de omstandigheid dat de communicatie tussen de onderneming en de contractuele partners langs elektronische weg verliep, terwijl na verrichting van een onderzoek door een belastingautoriteit was komen vast te staan, dat de contractspartners niet werkzaam waren op de opgegeven adressen en geen btw hadden aangegeven ter zake van de met de belastingplichtige verrichte transacties?
7) Moet artikel 143, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn aldus worden uitgelegd dat, ook al rust de verplichting om het recht op een belastingvrijstelling aan te tonen op de belastingplichtige, dit desondanks niet betekent dat de overheidsinstantie die bevoegd is om vast te stellen of de beschikkingsmacht is overgedragen, niet verplicht is om gegevens te achterhalen die alleen toegankelijk zijn voor overheidsinstanties?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-84/09 X; C-80/11 en C-142/11 Mahagében en Dávid; C-273/11 Mecsek-Gabona; C-285/11 Bonik;

Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten