C-112/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   20 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       6 mei 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   6 juni 2017

Trefwoorden: EEX; internationale bevoegdheid; luchtvaart; compensatie luchtreizigers

Onderwerp: - Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91;

- Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Verzoekers boeken een reis van Hamburg via Brussel en Mumbai naar Goa voor 24-03-2016 bij Jet Airways (JA). Na de terreuraanslagen op de luchthaven van Brussel wordt de reis 23-03-2016 omgeboekt naar 25-03-2016 via Parijs en Mumbai, waarvoor verzoekers boekingsbevestiging van JA krijgen. De vlucht naar Mumbai wordt uitgevoerd door verweerster Air France; het stuk Mumbai – Goa door JA. Verzoekers lopen echter op de vlucht Parijs – Mumbai teveel vertraging op om de aansluitende vlucht naar Goa te halen. Zij arriveren uiteindelijk met tien uur vertraging in Goa en eisen van verweerster een compensatie van € 600 op grond van Vo. 261/2004. Verweerster stelt dat buitengewone omstandigheden (een staking) de vertraging, die onbetwist minder dan drie uur betrof, hebben veroorzaakt en ook dat de Rb Hamburg internationaal onbevoegd is.

Voor de verwijzende DUI rechter (Amtsgericht Hamburg) zal de vraag beantwoord moeten worden of sprake is van buitengewone omstandigheden, en daarnaast speelt de kwestie van internationale bevoegdheid. Het betreft een reis met drie vertrekpunten, waarbij de deeltrajecten door verschillende maatschappijen zijn uitgevoerd, en waarbij het gaat om een kleine vertraging die een grote vertraging tot gevolg heeft gehad. De rechter wijst op het grote aantal bij de Rb lopende zaken waarin beide in casu voorliggende vragen een rol speelt. Verzoekers hebben met de uitvoerende luchtvaartmaatschappij (verzoekster) geen contractuele relatie. De rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt is slechts bevoegd voor de plaats van vertrek van het eerste deeltraject. Hij wijst op het arrest in zaak C-204/08 waarin het HvJEU artikel 5.1, onder b), tweede streepje, van Vo. 44/2001 aldus heeft uitgelegd dat het gerecht dat bevoegd is om kennis te nemen van de op Vo. 261/2004 gebaseerde vordering tot compensatie, naar keuze van de eiser het gerecht is in het rechtsgebied waarvan zich de plaats van vertrek of de plaats van aankomst van het vliegtuig bevindt. Wanneer geen sprake is van een contractpartner (zoals in casu) dan kan ook de bevoegdheid van artikel 7.2 van Vo. 1215/2012 in aanmerking komen: doorslaggevend is dan de plaats waar de schadebrengende gebeurtenis zich heeft voorgedaan. In de arresten Sturgeon, Nelson enz. heeft het HvJEU al geoordeeld over recht op compensatie wegen onomkeerbaar tijdverlies door vertraagde aankomst op de eindbestemming. Maar daaruit wordt niet duidelijk tegen welke luchtvaartmaatschappij de vordering ingediend moet worden. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1. Is de rechter van het vertrekpunt van een uit meerdere deeltrajecten bestaande vlucht bevoegd voor een op verordening nr. 261/2004 gebaseerde vordering tot compensatie tegen een luchtvaartmaatschappij die geen contractpartner van de verzoeker is, wanneer het vervoer overeenkomstig de met een andere luchtvaartmaatschappij gesloten vervoerovereenkomst en het vliegticket wordt uitgevoerd van een lidstaat via een andere lidstaat naar een derde land middels drie vluchten en een overstap in zowel een lidstaat als het derde land, en de verwerende luchtvaartmaatschappij slechts de eerste twee vluchten heeft uitgevoerd?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is bij personenvervoer door luchtvaartmaatschappijen uit een lidstaat via een andere lidstaat naar een derde land middels een uit drie deeltrajecten bestaande vluchtverbinding – overeenkomstig de met een andere luchtvaartmaatschappij gesloten vervoerovereenkomst en het vliegticket – de luchtvaartmaatschappij die het tweede deeltraject uitvoert en geen contractpartner van de passagier is, voor een grote vertraging op de eindbestemming, die het gevolg is van een kleine vertraging (in casu 1 uur en 40 minuten) op het tweede deeltraject, ten aanzien van de passagier in die zin aansprakelijk dat zij in geval van een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming aan de passagier compensatie in de zin van artikel 7 van verordening nr. 261/2004 moet betalen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-402/07 Sturgeon; C-204/08 Rehder; C-581/10 en C-629/10 Nelson e.a.;

Specifiek beleidsterrein: IenM, EZ