C-116/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   21 april 2017

Concept schriftelijke opmerkingen:       7 mei 2017

Schriftelijke opmerkingen:                   7 juni 2017

Trefwoorden: luchtvaart; compensatie luchtreizigers

Onderwerp: - Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91;

- verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (‘Rome I-verordening’).


Verzoeker en echtgenote boeken bij verweerster (Swiss Air) een vlucht van Hamburg naar Havanna via Zürich. Door vertraging bij vertrek in Hamburg wordt verzoeker de instap in de overstapvlucht geweigerd. Verzoeker krijgt tickets voor een vervolgvlucht voor de volgende dag met een andere maatschappij en arriveert met 24 uur vertraging in Havanna. Verzoeker dient voor hemzelf en als gesubrogeerde in de rechten van zijn echtgenote een claim in voor extra kosten huurauto en een niet-gebruikte hotelkamer in Havanna, alsmede € 1200 op grond van artikel 7.1, onder a), en artikel 5.1, onder c), van Vo. 261/2004. De compensatie wordt uitgekeerd maar voor de resterende vordering beroept verweerster zich op artikel 12.1 tweede volzin van de Vo. (De uit hoofde van deze verordening toegekende compensatie kan op eventuele verdere compensatie in mindering worden gebracht.)


Voor de verwijzende DUI rechter (Amtsgericht Hamburg) is de beslissing afhankelijk van de vraag of, en zo ja in hoeverre en onder welke voorwaarden een vordering naar nationaal recht tot vergoeding van de door verzoeker geclaimde extra kosten die zijn ontstaan wegens een vertraging van meer dan drie uur van een geboekte vlucht, op grond van het genoemde artikel van de Vo. in mindering moet worden gebracht op een compensatie uit hoofde van artikel 7 van de Vo. Verweerster heeft geen buitengewone omstandigheden aangevoerd. De vordering tot vergoeding van de kosten is een vordering tot verdere compensatie op grond van nationaal recht in de zin van artikel 12.1 , eerste volzin, van de Vo. De overeenkomst tussen partijen is op grond van Vo. 593/2008 onderworpen aan DUI materiëel recht. Verzoeker heeft op basis daarvan een eigen en een afgeleid recht op vergoeding van extra kosten krachtens DUI Bw wanneer deze berusten op een verwijtbare niet-nakoming van de verplichtingen van verweerster, hetgeen in casu het geval. Daar tegenover staat dat verweerster haar verplichting tot bijstand niet heeft verzaakt (zij heeft voor vervangend vervoer gezorgd). Het is voor de verwijzende rechter echter onvoldoende duidelijk welke schade op grond van artikel 7 van de Vo. moet worden gecompenseerd. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1) Kan een luchtvaartmaatschappij steeds aftrek toepassen of hangt dit af van de vraag in hoeverre het nationale recht deze aftrek toestaat dan wel of de rechter deze als passend beschouwt?

2) Voor zover het nationale recht relevant is dan wel de rechter discretionair moet beslissen: strekt de compensatie van artikel 7 van de verordening enkel tot vergoeding van het ongemak en het door de passagiers wegens de annulering geleden tijdverlies, of ook tot vergoeding van materiële schade?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: IenM, EZ