C-118/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   26 mei 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       12 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   12 juli 2017

Trefwoorden: consumentenbescherming; oneerlijke bedingen; doeltreffende voorziening in rechte

Onderwerp: - Handvest grondrechten artikel 20 (gelijkheid voor de wet); 21 (non-discriminatie); 38 (consumentenbescherming); 47 (doeltreffende voorziening in rechte);
- richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;
- richtlijn 2008/48/EG van het Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad;

Verzoekster heeft op 24-05-2007 met verweerster Erste Bank een hypothecaire leningafgesloten in ZWI francs (CHF). Aflossing dient in HON valuta plaats te vinden tegen de geldende dagkoers. Het wisselkoersrisico is voor verzoekster en de rentevoet variabel. De overeenkomst is vastgelegd in een notariële akte zodat bij in gebreke blijven ontbinding direct uitvoerbaar is zonder rechterlijke tussenkomst. Op 12-04-2016 heeft de notaris de formule van tenuitvoerlegging op de akte aangebracht en executie gelast. Verzoekster heeft verzet aangetekend. Zij stelt dat de overeenkomst nietig is gezien strijd met de HON wet op de kredietinstellingen aangezien het ‘rente-ecart’ niet in de overeenkomst was vermeld (= het verschil tussen de wisselkoers die geldt op het ogenblik waarop het krediet beschikbaar wordt gesteld en de wisselkoers die geldt bij aflossing).

De verwijzende HON rechter (Rb Centrum Boeda) wijst op uitspraken van de Kuria die worden gegeven tot ‘uniforme uitleg van het civiele recht’. Dit gebeurt volgens een bijzondere (niet-openbare) procedure, door speciaal daartoe gevormde ‘raden’ en de uitspraken zijn bindend voor de rechterlijke instanties. De (civiele) partijen hebben daarin geen stem. Eén van die uitspraken betreft de uitleg van het arrest C-26/13 waarin het HvJEU oordeelde dat de nationale rechter de ongeldigheid van een overeenkomst kan verhelpen. De Kuria heeft dat zo uitgelegd dat de rechter die vaststelt dat de overeenkomst ongeldig is en bij wie een (tegen)eis wordt ingediend tot toepassing van de wettelijke sancties, allereerst moet proberen de overeenkomst aldus uit te leggen dat zij geldig is, tenzij de grond voor ongeldigheid kan worden weggenomen of om een andere reden is weggevallen. En tevens dat een consumentenovereenkomst waarvan een beding door de rechter ongeldig wordt bevonden niettemin kan voortbestaan zonder dat ongeldige onderdeel, aangezien dat beding niet langer gevolgen sorteert; de overige, niet-gewijzigde bedingen van de overeenkomst blijven bindend voor de partijen. De verwijzende rechter maakt voor wat de werkwijze van de ‘raden’ betreft een vergelijking met de situatie in de voormalige DDR waar dit op dezelfde wijze plaatsvond. Hij vraagt zich af of deze werkwijze verenigbaar is met het EUrecht aangezien van een eerlijk proces geen sprake kan zijn. Hij wijst ook op het standpunt van de Commissie van Venetië (maart 2012) die in haar 90ste plenaire zitting heeft bepaald dat de beslissingen die in HON worden gegeven in het kader van deze ‘uniformiseringsprocedures’ betwistbaar zijn uit het oogpunt van de rechten van de mens. Gezien het hoge beschermingsniveau voor consumenten dat in de EU wordt nagestreefd legt hij de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1) Moet [dictum 3] van het arrest van het Hof in zaak C-26/13 aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter de ongeldigheid van een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument ook dan kan verhelpen wanneer voortzetting van de overeenkomst de economische belangen van de consument schaadt?

2) Is het verenigbaar met de bevoegdheid die aan de Europese Unie is toebedeeld ter waarborging van een hoog niveau van consumentenbescherming en met de algemene Unierechtelijke beginselen van gelijkheid voor de wet, non-discriminatie, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces, dat het parlement van een lidstaat bij wet privaatrechtelijke overeenkomsten wijzigt die behoren tot soortgelijke categorieën en zijn gesloten tussen een verkoper en een consument?

2/a) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, is het verenigbaar met de bevoegdheid die aan de Europese Unie is toebedeeld ter waarborging van een hoog niveau van consumentenbescherming en met de algemene Unierechtelijke beginselen van gelijkheid voor de wet, non-discriminatie, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces, dat het parlement van een lidstaat bij wet verschillende onderdelen van in buitenlandse valuta uitgedrukte leningsovereenkomsten wijzigt om de consumenten te beschermen, maar zodoende een resultaat bereikt dat in feite indruist tegen de rechtmatige belangen inzake bescherming van de consument, aangezien de leningsovereenkomst na die wijzigingen geldig blijft en de consument de kosten moet blijven dragen die voortvloeien uit het wisselkoersrisico?

3) Is het, wat overeenkomsten tussen een verkoper en een consument betreft, verenigbaar met de bevoegdheid die aan de Europese Unie is toebedeeld ter waarborging van een hoog niveau van consumentenbescherming en met de algemene Unierechtelijke beginselen van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en van het recht op een eerlijk proces in aangelegenheden van civielrechtelijke aard, dat de raad voor uniformisering van de hoogste rechterlijke instantie van een lidstaat de beslissingen van de aangezochte rechter stuurt door middel van „beslissingen ten behoeve van een uniforme uitlegging van het recht?

3/a) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, is het verenigbaar met de bevoegdheid die aan de Europese Unie is toebedeeld ter waarborging van een hoog niveau van consumentenbescherming en met de algemene Unierechtelijke beginselen van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en van het recht op een eerlijk proces in aangelegenheden van civielrechtelijke aard, dat de raad voor uniformisering van de hoogste rechterlijke instantie van een lidstaat de beslissingen van de aangezochte rechter stuurt door middel van “beslissingen ten behoeve van een uniforme uitlegging van het recht”, wanneer de rechters niet op een transparante wijze en volgens vooraf vastgestelde regels tot lid van de raad voor uniformisering worden benoemd, de procedure voor die raad niet openbaar is en achteraf niet kan worden achterhaald hoe die raad te werk is gegaan, dat wil zeggen op welke deskundigenverklaringen en rechtsgeleerde publicaties hij zich heeft gebaseerd en wat het stemgedrag (voor- of tegenstem) van de verschillende leden was?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-26/13 Kásler et Káslerné Rába

Specifiek beleidsterrein: VenJ; EZ