C-12/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   28 februari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       14 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   14 april 2017

Trefwoorden: sociale zekerheid; berekening jaarlijkse vakantie; ouderschapsverlof

Onderwerp: - Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd;

- Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof en tot intrekking van richtlijn 96/34/EG.

Verzoekster (rechter) heeft over 2014 al haar verlofdagen opgenomen en heeft van 01-10-2014 - 03-02-2015 zwangerschapsverlof en van 04-02-2015 – 16-09-2015 ouderschapsverlof genoten. Daarop aansluitend is zij 30 dagen met verlof gegaan. Zij heeft gevraagd de resterende dagen (vijf) eind december 2015 te mogen opnemen. Haar werkgever (de Rb, één van de verweerders) wijst het verzoek af: verzoekster zou haar verlof al hebben opgemaakt en al zeven dagen over 2016 hebben verbruikt omdat zij gedurende het tijdvak van haar ouderschapsverlof, dat volgens de ROE wet niet als een tijdvak van arbeid wordt gerekend, geen verlof heeft opgebouwd. Verzoekster gaat bij de Rb Cluj in beroep en vraagt een verklaring voor recht dat de ouderschapsverlofperiode als tijdvak van arbeid wordt aangemerkt. De Rb wijst het beroep toe op grond van rechtspraak van het HvJEU (Schultz-Hoff en Dominguez). Verweerders gaan in hoger beroep.

Bij de verwijzende ROE rechter (Hof van Beroep Cluj) geven verweerders te kennen dat de betreffende bepalingen van de ROE arbeidswet zijn ingevoerd teneinde de nationale wetgeving te harmoniseren met de uitleg die het HvJEU heeft gegeven aan artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG (behoud van het recht op jaarlijkse vakantie ook wanneer de werknemer het volle jaar met ziekteverlof was). Ouderschapsverlof is niet in de wet opgenomen. Verzoekster stelt dat het opvoeden van een kind vergelijkbaar is met een tijdvak van arbeid en dat ouderschapsverlof een inherent risico is bij een arbeidsovereenkomst met een vrouwelijke werknemer. Wanneer een vrouwelijke werknemer het recht op (volledige) jaarlijkse vakantie in het kalenderjaar waarin zij ouderschapsverlof opneemt wordt ontzegd levert dat discriminatie op ten opzichte van vrouwelijke werknemers zonder kinderen en mannelijke werknemers. De verwijzende rechter schetst de nationale discussie over dit onderwerp. Alleen de Hogere Raad voor de Magistratuur (CSM, een van de verweerders) is van oordeel dat enkel in geval van ouderschapsverlof voor een kind met een handicap geen afbreuk mag worden gedaan aan het recht op jaarlijkse vakantie. CSM heeft ook gewezen op het oordeel van het HvJEU in het Schultz-Hoff arrest dat een door het EUrecht gegarandeerd verlof niet kan afdoen aan het recht om een ander door dit recht gewaarborgd verlof te nemen. Dus ook al vermeldt de ROE arbeidswet onder de soorten verlof die als tijdvakken van arbeid worden beschouwd niet uitdrukkelijk het ouderschapsverlof, dat recht wordt wel door het EUrecht gewaarborgd met RL 2010/18. Maar CSM is niet de compAut in deze kwestie, dat zijn de rechterlijke instanties tezamen met MinJus. En die (de overige verweerders) sluiten opbouw verlof uit. De onenigheid over uitleg van RL 2003/88 is ontstaan door verschillende interpretatie van de jurisprudentie van het HvJEU (zaken C-350/06 en C-520/06 Schultz-Hof ea; C-282/10 Dominguez). Gezien de noodzaak van uniforme uitleg van het EU-recht legt hij de volgende vraag voor aan het HvJEU:

“Moet artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht die voor de berekening van de duur van de jaarlijkse vakantie van de werknemer het tijdvak van ouderschapsverlof voor een kind tot de leeftijd van twee jaar niet in aanmerking neemt als tijdvak van arbeid?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-350/06 en C-520/06 Schultz-Hoff ea; C-282/10 Dominguez

Specifiek beleidsterrein: SZW