C-122/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   25 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       11 mei 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   11 juni 2017

Trefwoorden: motorrijtuigenverzekering; horizontale werking

Onderwerp: richtlijn 90/232/EEG (derde richtlijn motorrijtuigenverzekering)

Verzoeker is in juni 1999 ernstig gewond geraakt bij een auto-ongeluk. De bestelwagen waarin hij als passagier zat, kwam in botsing met een voertuig bestuurd door eerste verweerder en in eigendom van tweede verweerder. De bestelwagen was niet ingericht voor passagiers. De motorrijtuigenverzekering van verweerder (bij FBD Insurance, derde verweerster) bevatte een uitsluitingsclausule voor passagiers in een bestelwagen die daarvoor niet was toegerust. Verzoeker eist schadevergoeding maar FBD weigert dat bij brief van 13-08-2001 wegens ontbrekende dekking. In RL 90/232 is bepaald dat een situatie als onderhavige niet van dekking mag worden uitgesloten. Vaststaat dat deze RL niet tijdig volledig in IER recht omgezet. De vraag in deze zaak is of de nationale bepalingen kunnen worden uitgelegd op een wijze die in overeenstemming is met de vereisten van artikel 3.1 van RL 90/232. Het High Court doet uitspraak op 05-02-2009 waarin is overwogen dat het aan de hand van arrest in C-106/89 mogelijk was om de nationale regeling uit te leggen in overeenstemming met het artikel. Partijen treffen dan een schikking die op 10-02-2009 door het High Court wordt goedgekeurd. FBD subrogeert in de rechten en stelt dat zij in de zin van het Francovich-arrest zal trachten de schade op de staat te verhalen. Zij gaat in beroep tegen de uitspraak van 05-02-2009: de High Court is verder gegaan dan het Marleasing beginsel, de rechter heeft de nationale wetgeving contra legem uitgelegd, en hij heeft in wezen aan de Derde richtlijn een vorm van terugwerkende horizontale rechtstreekse werking jegens FBD, een private verzekeringsmaatschappij, toegekend.

De verwijzende IER rechter (Hof van Beroep) haalt arrest C-356/05 aan, ook vragen van het High Court, over een vergelijkbare zaak en waar uit de uitspraak al was gebleken dat de IER regeling ontoereikend was. Het HvJEU kende rechtstreekse werking aan artikel 1 van RL 90/232 toe. Verschil met onderhavige casus is dat in C-356/05 de bestuurder onverzekerd was waarna de aansprakelijkheid overging op het Motor Insurers’ Bureau of Ireland (MIBI). In casu gaat het om een privaatrechtelijke onderneming (FBD). In C-356/05 heeft het HvJEU aangegeven dat men zich niet jegens particulieren op een RL kan beroepen, terwijl dat wel kan jegens de staat, ongeacht of deze laatste handelt als werkgever dan wel als overheid. De vraag of MIBI een overheidsorgaan is ligt nog voor bij het HvJEU (zie zaak C-413/15 Farrell). De kernvraag in deze zaak blijft dan ook of de IER regeling overeenkomstig de eisen van RL 90/232 kan worden uitgelegd en zo nee hoe de nationale rechter dient te handelen. Hij wijst op arrest in zaak C-441/14; de nationale rechter moet indien mogelijk de nationale regeling buiten toepassing laten, zelfs in een geding tussen twee particuliere partijen. Gevolg van de buitentoepassingverklaring is echter dat de verzekeringspolis niet langer een goedgekeurde polis in de zin van de betreffende wetgeving is. Dit kan worden weggenomen door (op grond van de redenering van het HvJEU in C-441/14) de in de verzekeringspolis opgenomen uitsluitingsclausule ten aanzien van niet-zittende passagiers zelf op grond van het EU-recht buiten toepassing te laten. Dat doet weer de vraag rijzen of dat in casu (gezien de particuliere verzekeraar) niet zou leiden tot een vorm van horizontale rechtstreekse werking. Hij stelt het HvJEU de volgende vragen:
“In een situatie waarin

(i) de toepasselijke bepalingen van nationaal recht voorzien in een uitsluiting ter zake van de verplichte motorrijtuigenverzekering ten aanzien van degenen voor wie het motorvoertuig niet is uitgerust met vaste zitplaatsen,

(ii) de toepasselijke verzekeringspolis bepaalt dat enkel inzittenden op de vast ingebouwde zitplaatsen onder de dekking vallen, en deze polis ten tijde van het ongeval feitelijk een goedgekeurde verzekeringspolis was voor de toepassing van dat nationale recht,

(iii) de toepasselijke nationale bepalingen die in een dergelijke uitsluiting van die dekking voorzien, in een eerdere uitspraak van het Hof al in strijd zijn geacht met het Unierecht (arrest Farell/Whitty, C-356/05 [EU:C:2007:229]) en, bijgevolg, buiten toepassing moeten blijven, en

(iv) de bewoordingen van de nationale bepalingen zodanig zijn dat het niet mogelijk is deze in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht uit te leggen,

is de nationale rechter dan, in een geding tussen particuliere partijen en een particuliere verzekeringsmaatschappij inzake een auto-ongeval waarbij een inzittende, die niet op een vast ingebouwde zitplaats zat, in 1999 ernstig letsel heeft opgelopen, in welk geding de nationale rechterlijke instantie, met instemming van de partijen, de particuliere verzekeringsmaatschappij en de Staat als verweerders heeft opgeroepen, wanneer die rechter de toepasselijke bepalingen van nationaal recht buiten toepassing laat, ook verplicht om de in de motorrijtuigenverzekeringspolis opgenomen uitsluitingsclausule buiten toepassing te laten, of anderszins te beletten dat de verzekeraar zich op de uitsluitingsclausule beroept die destijds van kracht was, zodat het slachtoffer met letselschade direct op basis van die polis schadeloosstelling van de verzekeringsmaatschappij had kunnen vorderen? Of zou een dergelijke uitkomst in wezen leiden tot een vorm van horizontale rechtstreekse werking van een richtlijn jegens een particulier, op een wijze die door het Unierecht is verboden?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-106/89 Marleasing; C-356/05 Farrell; C-441/14 Dansk Industri;

Specifiek beleidsterrein: IenM, VenJ