C-123/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   25 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       11 mei 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   11 juni 2017

Trefwoorden: Associatieovereenkomst EEG/TUR; gezinshereniging; standstillbepaling

Onderwerp: - Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie;

- Besluit nr. 2/76 van de Associatieraad van 20 december 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 12 van de Associatieovereenkomst.

Verzoekster is TUR staatsburger, evenals haar echtgenoot die sinds 2005 een vestigingsvergunning heeft. De echtgenoot runt sinds april 2009 een bakkerij. Het echtpaar heeft drie volwassen kinderen die in DUI respectievelijk OOS wonen. Verzoekster heeft in 2007 en 2011 een visum voor gezinshereniging aangevraagd die beide zijn afgewezen (DUI ambassade Ankara) wegens onvoldoende kennis van de DUI taal. In maart 2013 is verzoekster op een door NL verstrekt Schengenvisum naar NL gereisd (waar haar zuster woont) en in april 2013 is verzoekster doorgereisd naar haar echtgenoot in DUI waar zij in mei 2013 een verzoek om een verblijfsvergunning heeft ingediend. Verzoekster lijdt aan chronische bloedarmoede, heeft diabetes type 2 en is analfabeet waardoor zij is aangewezen op hulp van haar echtgenoot. Haar verzoek op bij beschikking van maart 2014 afgewezen. In beroep heeft de bestuursrechter geoordeeld dat verzoekster recht op de verblijfsvergunning heeft op grond van de DUI verblijfswet. Het ontbreken van voldoende kennis van de DUI taal staat dit recht niet in de weg. Hij constateert strijd met de standstillbepalingen van het associatierecht. Dat zij niet heeft voldaan aan de vereisten voor het verkrijgen van een visum kan haar evenmin worden tegengeworpen gezien artikel 7 van besluit 2/76. De invoering van de visumplicht voor gezinshereniging tussen echtgenoten bij de DUI verordening tot uitvoering van de vreemdelingenwet, die op 05-10-1980 in werking is getreden, vormt een nieuwe beperking in de zin van de standstillbepalingen. Het HvJEU heeft weliswaar in zijn rechtspraak uitzonderingen toegestaan (algemeen belang) maar daar is in casu niet aan voldaan. Verweerster (stad Stuttgart) gaat in hoger beroep en stelt wederom de gebrekkige taalkennis en de binnenkomst zonder het op grond van de verblijfswet vereiste visum. Het visumvereiste zou niet in strijd zijn met de standstillbepaling aangezien artikel 7 van besluit 2/76 na inwerkingtreding van artikel 13 van besluit 1/80 niet langer van toepassing is.

De verwijzende DUI rechter (Bundesverwaltungsgericht) memoreert dat het taalvereiste weliswaar een nieuwe beperking is maar deze gerechtvaardigd wordt door een dwingende reden van algemeen belang (integratie), zoals ook door het HvJEU is erkend. Er is een hardheidsclausule in de DUI verblijfswet ingebouwd voor wat betreft de evenredigheid. In eerdere aanleg is de zaak nog niet op de hardheidsclausule bezien. Eerst moet de vraag worden beantwoord op het visumvereiste verenigbaar is met EUrecht, te weten artikel 7 van besluit 2/76. Verzoekster is DUI binnengekomen op een door NL verstrekt Schengenvisum voor kort verblijf, terwijl een nationaal visum vereist is, gezien haar intentie voor verblijf bij echtgenoot. De feitenrechter zal, als de visumplicht verenigbaar is met het EUrecht, alsnog moeten bezien of er (conform de wet) uitzondering kan worden gemaakt op het visumvereiste. Volgens het HvJEU is aanscherping van voorwaarden voor eerste toelating een ‘nieuwe beperking’ en valt daardoor binnen de werkingssfeer van de standstillbepalingen. De verwijzende rechter allereerst uitsluitsel over de geldigheid van artikel 7 van besluit 2/76, gezien de stelling van verweerster. Hij wijst verder op de door het HvJEU erkende dwingende reden van algemeen belang van een effectieve immigratiecontrole en beheer van de migratiestromen (op grond van VWEU artikel 79.1) en de toekenning van speelruimte daarvoor aan de EULS. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Is de standstillbepaling van artikel 7 van besluit nr. 2/76 van de Associatieraad volledig vervangen door de standstillbepaling van artikel 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad of dient de rechtmatigheid van nieuwe beperkingen van het vrije verkeer van werknemers die tussen de inwerkingtreding van besluit 2/76 en de toepasselijkheid van artikel 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad zijn ingevoerd, nog steeds te worden beoordeeld overeenkomstig artikel 7 van besluit nr. 2/76 van de Associatieraad?

2. Indien de eerste vraag aldus moet worden beantwoord dat artikel 7 van besluit nr. 2/76 van de Associatieraad niet volledig is opgevolgd, dient de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot artikel 13 van besluit nr. 1/80 dan volledig ook op de toepassing van artikel 7 van besluit nr. 2/76 van de Associatieraad te worden toegepast, met als gevolg dat artikel 7 van besluit nr. 2/76 in wezen ook een nationale regeling omvat die per 5 oktober 1980 is ingevoerd en waarbij de gezinshereniging van Turkse werknemers met hun echtgenoten afhankelijk wordt gemaakt van het verkrijgen van een nationaal visum?

3. Wordt de invoering van een dergelijke nationale regeling gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, in het bijzonder door het doel van een effectieve immigratiecontrole en het beheer van de migratiestromen, wanneer door middel van een hardheidsclausule rekening wordt gehouden met de bijzondere omstandigheden van het concrete geval?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-228/06 Soysal; C-225/12 Demir; C-138/13 Dogan; C-561/14 Genc;

Specifiek beleidsterrein: VenJ/DMB