C-126/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   19 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   05 augustus 2017

Trefwoorden: consumentenbescherming; oneerlijke bedingen

Onderwerp: - richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Pb 1993, L 95, blz. 29)

Verzoekster en verweerster (Erste Bank) hebben 14-06-2007 een hypothecaire leningsovereenkomst gesloten voor een bedrag van (de tegenwaarde in HUF van) CHF 64.731. Verzoekster stemde ermee in dat het in CHF geboekte bedrag 15% meer bedroeg dan het bedrag in de financieringsaanvraag om rekening te houden met mogelijke fluctuaties van de wisselkoers in de periode tussen de datum van sluiting van de overeenkomst en die van uitbetaling van de lening. In beding I/1 is bepaald dat het bedrag in CHF slechts ter informatie wordt meegedeeld en dat het werkelijke bedrag van de schuld wordt bepaald overeenkomstig beding I/2 dat de bank een krediet ter beschikking stelt van ten hoogste het in het beding I/1 in HF uitgedrukte bedrag, maar zij zou het uitbetaalde bedrag boeken in CHF op basis van de door haar gehanteerde aankoopkoers van de vreemde munt zoals die op de datum van uitbetaling gold voor de omrekening. Conform beding I/4 is een authentieke akte opgemaakt (15-08-2013) waarin afspraken over afrekeningsgeschillen, opeisbaarheid van de schuld en gegevens voor gerechtelijke executie zijn neergelegd. Op 15-08-2013 beëindigt verweerster de overeenkomst met onmiddellijke ingang. De notaris brengt op 07-11-2013 op de akte de formule van tenuitvoerlegging aan. Op 23-12-2013 volgt een dwangbevel waarmee de (resterende) hoofdsom van CHF 56.414,80 wordt opgeëist, tegen de geldende wisselkoers een bedrag van HUF 13.733.619. Verzoekster start een procedure tot beëindiging van de executie op grond van nietigheid van de leningsovereenkomst volgens de HON wet: de overeenkomst heeft geen voorwerp aangezien het bedrag van de lening en de aflossingstermijnen daarin niet zijn bepaald, zoals vereist in HONBw. Tevens ontbreekt een jaarlijks kostenpercentage en is de rentevoet niet nauwkeurig bepaald. Zij stelt dat beding I/4 een oneerlijk beding is hetgeen volgens HONBw tot nietigheid leidt: er is geen sprake van gelijkheid van posities omdat verweerster het te betalen bedrag naar goeddunken kon vaststellen. Verweerster stelt dat de executie niet kan worden gestaakt wanneer slechts één gebrek tot (gedeeltelijke) nietigheid leidt. Het voorwerp van de overeenkomst is bepaald in overeenstemming met (harmoniserende) rechtspraak van het HON Hooggerechtshof (Kuria). Zij benadrukt dat het bedrag in CHF het voorwerp van de overeenkomst is. De rechter in eerste aanleg beëindigt de lopende executie op grond van de uitspraken van de Kuria, met name wegens ontbreken van het leningsbedrag. Het in CHF vermelde bedrag wordt in beding I/1 slechts ‘ter informatie’ medegedeeld. Het juiste bedrag kan evenmin uit de bedingen worden opgemaakt. Verweerster gaat in beroep.

Bij de verwijzende HON appelrechter (hoofdstedelijk gerecht) stelt verweerster dat de Rb de rechtspraak van de Kuria onjuist heeft uitgelegd. Zij stelt dat uit die uitspraken blijkt dat het ook voldoende is wanneer de wijze van berekening van het beschikbaar gestelde bedrag in de overeenkomst wordt opgenomen, zonder dat het bedrag zelf gedetailleerd uitgesplitst wordt vermeld. Uit de overeenkomst blijkt duidelijk dat het om een lening in CHF gaat. Zij herhaalt dat het bedrag in CHF het voorwerp van de overeenkomst is. Het exacte bedrag in CHF kon op het moment van de overeenkomst nog niet worden bepaald maar wel is in beding II/1 de berekeningsmethode aangegeven waarmee het bedrag nauwkeurig kan worden berekend. Zij wijst op het in beding I/1 genoemde bedrag in HUF dat ook aan verzoekster is overgemaakt. Verzoekster herhaalt de argumenten die zij voor de Rb heeft ingebracht. Zij vraagt om indiening van een verzoek bij het HvJEU om een prejudiciële beslissing. Gezien de bepaling van het bedrag van de lening een van de essentiële materiële bestanddelen van de lenings-overeenkomst vormt honoreert de verwijzende rechter dat verzoek en legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1) Is, ter bepaling van het bedrag van de leningsovereenkomst, een formulering als die van de bedingen I/1 en II/1 van de aan de orde zijnde overeenkomst, volgens welke het bedrag van 64 731 CHF ter informatie wordt meegedeeld terwijl het maximumbedrag van 8 280 000 HUF als financieringsaanvraag wordt vermeld, en die de vaststelling van het bedrag van de leningsovereenkomst laat afhangen van een rechtsgevolgen sorterende verklaring van de partij die de overeenkomst afsluit met de consument en van de door die partij geboekte gegevens, duidelijk en begrijpelijk zoals vereist door artikel 4, lid 2, en artikel 5 van richtlijn 93/13/EEG [van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29)]?

2) Ingeval de in de bedingen I/1 en II/1 van de overeenkomst verrichte bepaling niet beantwoordt aan het begrip “duidelijke en begrijpelijke bedingen”, zodat kan worden onderzocht of het om oneerlijke bedingen gaat, en de conclusie vervolgens luidt dat zij inderdaad een oneerlijk karakter hebben, kan de overeenkomst dan in haar geheel ongeldig worden verklaard, nu het nationale recht aan de omstandigheid dat het voorwerp van de overeenkomst niet bepaalbaar is, de consequentie verbindt dat de volledige overeenkomst nietig is?

3) Ingeval de overeenkomst geldig kan worden verklaard, kan het bedrag dan op de voor de consument meest gunstige wijze worden vastgesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ, EZ