C-131/17

   PrejudiciĆ«le hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   2 mei 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       18 mei 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   18 juni 2017

Trefwoorden: civiele procedure; regresvordering; Handvest grondrechten (recht op eerlijk proces)

Onderwerp: Handvest grondrechten artikel 47 (doeltreffende voorziening in rechte)

Verzoeker is een particulier, verweerder het POR Garantiefonds Automobielen. Er heeft een auto-ongeval plaatsgevonden. Verzoeker bestuurt een auto in eigendom van F3 Auto. Hij gaat ervan uit dat het voertuig door de eigenaar juist verzekerd is. Als dat niet het geval blijkt wordt zoals gebruikelijk een beroep gedaan op verweerder. Het gaat in deze zaak om de vraag of een eerlijke procedure heeft plaatsgevonden. In de zaak in eerste aanleg worden F3 Auto en verweerder veroordeeld, waarna verweerder een vordering tot tenuitvoerlegging van het vonnis tegen verzoeker indient. Verzoeker stelt dat het vonnis dat als uitvoerbare titel geldt, hem niet veroordeelt tot terugbetaling op grond van regres zonder dat de tenuitvoerleggende partij (verweerder) een regresvordering tegen hem heeft ingesteld en dat in geval van hoofdelijke schuld het noodzakelijk is vooraf de concrete fout van alle bij de procedure betrokken partijen vast te stellen, hetgeen niet is gebeurd. Tegen de eigenaar van het voertuig dat bij het ongeval betrokken was (medeschuldenaar) heeft verweerder geen vordering ingesteld. Hij is bovendien niet in de gelegenheid gesteld verweer te voeren zodat zijn aansprakelijkheid niet op algehele en billijke wijze is beoordeeld. Hij is het niet eens met het naar zijn beoordeling veel te hoge bedrag dat hij aan de benadeelde partij moet betalen. Hij vraagt om schorsing van de procedure en het voorleggen van vragen aan het HvJEU, dat op 08-09-2016 ongegrond wordt verklaard. Daartegen heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

De verwijzende POR rechter (Rb Porto) stelt vast dat de procedure volgens het POR Bw niet juist is toegepast en dat geen sprake is van een uitvoerbare titel. Een uitvoerbare titel moet voortvloeien uit een declaratoire vordering waarmee uitdrukkelijk het recht op regres tegen verzoeker wordt beoogd. Dat recht is, op de datum van kennisgeving aan verzoeker in de onderhavige procedure, echter verjaard (in geval van regres is de termijn drie jaar). Verweerder had een declaratoire vordering moeten instellen op grond van het POR Bw. Verzoeker wilde een rechtsvraag voorleggen aan de hoogste POR rechter maar dat is hem geweigerd. Het feit dat hem gelegenheid tot verweer is ontnomen is in strijd met de POR Gw. De vraag die dan ook moet worden beantwoord is of verzoeker een eerlijk proces heeft gehad. Hij legt het HvJEU daartoe  de volgende vragen voor:

1 Moet een hoofdelijke veroordeling, in het kader van een rechtsvordering inzake de wettelijke aansprakelijkheid wegens een verkeersongeval, in hoger beroep door een hogere rechterlijke instantie, zonder dat het onmiddellijkheidsbeginsel is toegepast en zonder dat alle verweermiddelen volledig zijn benut, worden beschouwd als het resultaat van een eerlijke en billijke behandeling van de zaak overeenkomstig het bepaalde in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

2 Is de inbeslagname van goederen in het kader van de tenuitvoerlegging zonder dat vooraf uitspraak is gedaan op de regresvordering, in strijd met het bepaalde in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ; IenM