C-147/17 Sindicatul Familia Constanța e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   23 mei 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       9 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   9 juli 2017

Trefwoorden: arbeidstijd (pleegouders); doorbetaling vakantie

Onderwerp: - richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk;

- Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.

Verzoekers zijn als pleegouders ‘24/7’ in loondienst bij de ROE kinderbescherming (verweerster). Op grond van de algemene beschrijving van het werk heeft de beroepsmatige pleegouder verplichtingen die voortdurend toezicht en voortdurende verzorging van het kind inhouden, met uitzondering van de periodes waarin het kind naar school gaat. In punt 29 van deze beschrijving staat te lezen dat de pleegouder: “ervoor moet zorgen dat de werkzaamheden ook worden voortgezet gedurende de periode waarin de wettelijk geregelde vakantie wordt opgenomen, tenzij de werkgever toestemming geeft om gedurende deze periode van het kind te worden gescheiden.” Verzoekers zijn een procedure gestart om beter loon en betere arbeidsvoorwaarden te eisen, waaronder toeslag voor werk op rust- en feestdagen en vergoeding voor niet opgenomen vakantiedagen. De Rb Constanta verklaart hun eisen ongegrond waarop verzoekers in beroep gaan bij de verwijzende rechter.

De verwijzende ROE rechter (Hof van Beroep Constanta) heeft vastgesteld dat  slechts één van de 95 verzoekers zowel in 2014 als in 2015 zonder pleegkind vakantie heeft opgenomen, terwijl drie andere verzoekers in 2014, en weer drie anderen in 2015 zonder pleegkind vakantie hebben opgenomen. Door verzoekers wordt niet weersproken dat nauwelijks sprake is van aanvraag van vakantie zonder pleegkinderen (en dus evenmin van afwijzing van verzoeken daartoe door verweerster). Verzoekers stellen schade te lijden door ononderbroken werk waarvoor geen vergoeding wordt betaald. Verweerster bevestigt dat de arbeidsovereenkomst van beroepsmatige pleegouders een bijzondere overeenkomst is die specifiek op de bescherming van het kind is gericht; de pleegouder is een volgens de wet bevoegde persoon die, conform de overeenkomst, door middel van de werkzaamheden die hij in zijn eigen woning verricht, het aan zijn zorg toevertrouwde kind de verzorging en opvoeding biedt die het voor een harmonieuze ontwikkeling nodig heeft. Zij stelt dat pleegouders geen recht hebben op de gevraagde toelage zolang er in de ROE regelgeving geen rechtsgrondslag voor de betaling daarvan is. Zij hebben ook geen recht op een financiële vergoeding voor vakantie: voortzetting van de werkzaamheden moet ook tijdens die periode worden gegarandeerd. De verwijzende rechter constateert dat in de jurisprudentie verschillend wordt geoordeeld over rechten van pleegouders, zowel wat betreft vergoedingen als werktijden. Om het geding te beslechten stelt hij de volgende vragen tot nadere uitleg van de bepalingen van RL 2003/88:

1) Moet artikel 1, lid 3, van richtlijn 2003/88/EG, gelezen in samenhang met artikel 2 van richtlijn 89/391/EEG, aldus worden uitgelegd dat werkzaamheden als die van pleegouder, die verzoekers verrichten, van de werkingssfeer van deze bepaling zijn uitgesloten?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 17 van richtlijn 2003/88/EG dan aldus worden uitgelegd dat voor werkzaamheden als die van pleegouder, die verzoekers verrichten, van artikel 5 van de richtlijn kan worden afgeweken op grond van [artikel 17,] leden 1, 3, onder b) en c), of lid 4, onder b)?

3) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 17, lid 1 of, waar van toepassing, artikel 17, lid 3 of 4, van richtlijn 2003/88/EG dan aldus worden uitgelegd dat een dergelijke afwijking expliciet moet zijn of aldus dat zij ook impliciet kan zijn, door een bijzondere regeling vast te stellen die voor een bepaalde beroepsactiviteit andere regels voor de organisatie van de arbeidstijden voorschrijft? Indien een dergelijke afwijking niet expliciet hoeft te zijn, wat zijn dan de minimumvoorwaarden opdat een nationale regeling kan worden geacht een afwijking in te voeren, en kan een dergelijke afwijking worden uitgedrukt volgens de modaliteiten die uit wet nr. 272/2004 voortvloeien?

4) Indien vraag 1, 2 of 3 ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88/EG dan aldus worden uitgelegd dat de periode die een pleegouder in de eigen woning of op een andere plaats naar keuze met een pleegkind doorbrengt arbeidstijd vormt, ook al verricht hij of zij geen van de werkzaamheden die volgens de individuele arbeidsovereenkomst tot diens taken behoren?

5) Indien vraag 1, 2 of 3 ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 5 van richtlijn 2003/88/EG dan aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als die van artikel 122 van wet nr. 272/2004? En indien het antwoord luidt dat artikel 17, lid 3, onder b) en c), of artikel 17, lid 4, onder b), van de richtlijn van toepassing is, moet dit artikel dan aldus worden uitgelegd dat het aan deze nationale regeling in de weg staat?

6) Indien vraag 1 ontkennend en vraag 4 eventueel bevestigend wordt beantwoord, kan artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88/EG dan aldus worden uitgelegd dat het evenwel niet belet dat schadevergoeding wordt toegekend ten bedrage van de uitbetaling die de werknemer tijdens de jaarlijkse vakantie zou hebben ontvangen omdat pleegouders gezien de aard van de door hen verrichte activiteiten geen vakantie kunnen opnemen, of omdat de werknemer, hoewel formeel vakantie is toegekend, in de praktijk dezelfde activiteiten blijft verrichten indien geen toestemming is verleend om in de betrokken periode van het pleegkind te worden gescheiden? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is het dan, om voor schadevergoeding in aanmerking te komen, noodzakelijk dat de werknemer heeft verzocht om van het kind te worden gescheiden en de werkgever daarvoor geen toestemming heeft verleend?

7) Indien vraag 1 ontkennend, vraag 4 bevestigend, en vraag 6 ontkennend wordt beantwoord, staat artikel 7, lid 1, van de richtlijn dan in de weg aan een bepaling als artikel 122, lid 3, onder d), van wet nr. 272/2004 in een situatie waarin deze wet de werkgever beoordelingsvrijheid biedt bij de beslissing om al dan niet toestemming te geven om tijdens vakanties van het kind te worden gescheiden, en indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, vormt het feit dat als gevolg van de toepassing van deze wetsbepaling geen vakantie kan worden opgenomen een zodanige schending van Unierecht dat de werknemer voor schadevergoeding in aanmerking komt? Indien dat het geval is, moet een dergelijke schadevergoeding dan door de staat worden betaald wegens schending van artikel 7 van de richtlijn, of door de als werkgever optredende overheidsinstelling die in de vakantieperiode geen scheiding van het pleegkind heeft gegarandeerd? Is het in deze situatie om voor schadevergoeding in aanmerking te komen noodzakelijk dat de werknemer heeft verzocht om van het kind te worden gescheiden en dat de werkgever daarvoor geen toestemming heeft verleend?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (zie pagina 3 en 4 van de verwijzingsbeschikking)

Specifiek beleidsterrein: SZW, VenJ

Gerelateerde documenten