C-149/17

   Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   22 mei 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       8 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   8 juli 2017

Trefwoorden: auteursrecht; informatiemaatschappij

Onderwerp: - richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij;

– richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectueleeigendomsrechten.

Verzoekster is houdster van de rechten die zijn verleend aan de producent van het fonogram betreffende de audioversie van het auteursrechtelijk beschermde werk “Het verloren symbool” van de auteur Dan Brown. Verweerder is de houder van de litigieuze internetaansluiting waarmee dit luisterboek op 08-05- 2010 voor downloaden is aangeboden aan een onbeperkt aantal gebruikers van internetsites voor filesharing. Verzoekster heeft verweerder 28-10-2010 vergeefs gesommeerd de inbreuk te staken, waarna zij van verweerder als houder van het IP-adres een schadevergoeding heeft geëist. Verweerder stelt dat zijn internetadres voldoende is beveiligd; hij betwist de inbreuk op het auteursrecht en geeft aan dat zijn in hetzelfde huis wonende ouders, die naast hem toegang tot de internetaansluiting hebben, de litigieuze data niet hebben gedownload. Op het bewuste tijdstip waren alle computers in huis uitgeschakeld. Deze lezing is door de ouders bevestigd. Verzoekster stelt een schadevergoedingsactie in bij de Rb München maar die wordt afgewezen op de grond dat er niet van kan worden uitgegaan dat verweerder de beweerde inbreuk heeft begaan en dat de ouders de feiten niet kunnen hebben gepleegd. Verzoekster gaat in beroep bij de verwijzende rechter.

De verwijzende DUI rechter (Landgericht München) is geneigd verweerder aansprakelijk te houden voor de inbreuk, aangezien niet is gebleken dat op het tijdstip van de inbreuk een derde persoon de internetaansluiting heeft gebruikt. Hij ziet zich echter genoodzaakt de regeling van artikel 8.1 en 2, jo artikel 3.1 van RL 2001/29, en van artikel 3.2 van RL 2004/48, zoals omgezet in de DUI auteurswet, aldus toe te passen dat van een particuliere houder van een internetaansluiting die zijn gezinsleden toegang verleent tot zijn internetaansluiting dan wel zijn WLAN waarmee een auteursrechtelijk beschermd werk onrechtmatig ter beschikking van het publiek is gesteld, geen schadevergoeding voor deze inbreuk kan worden gevorderd wanneer hij minstens één gezinslid aanwijst die naast hem toegang tot deze internetaansluiting kon hebben, zonder dat hij door specifieke opsporingen verkregen bijzonderheden betreffende het tijdstip of de aard van het internetgebruik door dit familielid hoeft mee te delen. Ook hier geldt volgens rechtspraak van het Bundesgerichtshof (BGH) het algemene rechtsbeginsel ‘wie stelt moet bewijzen’. Het BGH heeft tevens reeds geoordeeld dat moet worden aangenomen dat de houder van een internetaansluiting daadwerkelijk de dader is wanneer op het tijdstip van de inbreuk geen andere persoon deze aansluiting kon gebruiken. Deze aanname geldt niet in geval van onvoldoende beveiliging, hetgeen in casu niet het geval lijkt. De verwijzende rechter vraagt zich af wat moet worden verstaan onder een doeltreffende sanctie. Betaling van een schadevergoeding lijkt hem minder geschikt indien de houder van de aansluiting zich daaraan kan onttrekken indien hij louter een gezinslid aanwijst dat net als hij toegang tot de internetverbinding heeft gehad. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Moet artikel 8, leden 1 en 2, juncto artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus worden uitgelegd dat aan het vereiste dat de sancties voor inbreuken op het recht van beschikbaarstelling van een werk voor het publiek ‘doeltreffend [...] zijn en bijzonder preventieve werking hebben’ ook dan is voldaan ingeval de houder van een internetverbinding waarmee inbreuken op het auteursrecht zijn begaan door filesharing, daarvoor niet meer aansprakelijk kan worden gesteld wanneer hij minstens één gezinslid aanwijst die net als hij toegang tot het internet had via deze verbinding, zonder dat hij dienaangaande meer preciseringen hoeft te verstrekken over het juiste tijdstip en de aard van het gebruik van het internet door dat gezinslid?

2. Moet artikel 3, lid 2, van richtlijn 2004/48 aldus worden uitgelegd dat aan het vereiste dat de ‘maatregelen [...] die nodig zijn om de handhaving van de [...] intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen‘ ‘doeltreffend [...] zijn’, ook dan is voldaan ingeval de houder van een internetverbinding waarmee inbreuken op het auteursrecht zijn begaan door filesharing, daarvoor niet meer aansprakelijk kan worden gesteld wanneer hij minstens één gezinslid aanwijst die net als hij toegang tot het internet had via deze verbinding, zonder dat hij dienaangaande meer preciseringen hoeft te verstrekken over het juiste tijdstip en de aard van het gebruik van het internet door dat gezinslid?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: OCW, VenJ, EZ