C-152/17 Consorzio Italian Management e Catania Multiservizi

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   29 mei 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   15 juli 2017

Trefwoorden: overheidsopdrachten; vrij ondernemerschap; vertrouwelijkheid offertes; vrije mededinging; gelijke behandeling

Onderwerp: - Handvest artikel 16 (vrijheid ondernemerschap);
- VEU artikel 3 (doelstellingen EU – Interne Markt);
- VWEU artikel 26 (IM); 56 – 58 (vrij verkeer diensten); artikel 101 (mededingingsregels);
- richtlijn 2004/17/EG van het EP de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten.

Verzoekster heeft met de vennootschap Catania Multiservizi een tijdelijke vereniging opgericht en deelgenomen aan een aanbesteding van de ITA spoorwegen (verweerster) voor schoonmaakdiensten (stations, wachtlokalen e.d.). Verzoekster dient (als ‘groepshoofd’) een verzoek in tot verhoging van de vergoeding voor de uitvoering van de opdracht wegens stijging van de personeelskosten. Na afwijzing daarvan start zij een procedure maar de Rb Sardinië wijst haar verzoek 11-06-2014 af. Die rechter oordeelt dat ‘schoonmaak’ valt onder de regeling in de ITA wet voor ‘bijzondere sectoren’: het moet deel uitmaken van het productie-, distributie- en transportnetwerk. In casu gaat het om schoonmaakdiensten van bedrijfsruimten – noodzakelijke onderdelen van de spoorwegonderneming. De rechter wijst erop dat partijen conform het ITA Bw in hun overeenkomst van 23-02-2006 een clausule hebben opgenomen dat mag worden afgeweken van eerder vastgestelde prijzen. Verzoekster gaat in beroep waarin zij stelt dat het plaatsen van een opdracht voor diensten slechts onder de regeling voor bijzondere diensten kan vallen indien behalve aan een subjectieve voorwaarde mede is voldaan aan een objectieve voorwaarde, te weten dat de dienst wordt aangewend ‘ten behoeve van’ de activiteit die valt onder de bijzondere sectoren. Verzoekster stelt dat de nationale voorschriften niet verenigbaar zijn met RL 2004/17 en dat het HvJEU daarover een vraag zou moeten worden voorgelegd. Met name de uitleg die herziening van de prijzen uitsluit voor overeenkomsten betreffende de zogenoemde bijzondere sectoren, vooral in die waarvan het voorwerp verschilt van die waarop die richtlijn betrekking heeft.

De verwijzende ITA RvS twijfelt niet dat in casu is voldaan aan het subjectieve criterium doordat verweerster onweersproken valt onder de categorie aanbestedende diensten zoals bedoeld in de ITA wet en dat de schoonmaakdiensten hier onder de regeling voor bijzondere sectoren vallen. Gelet op het voorwerp van de aanbesteding ligt het voor de hand dat de schoonmaakdienst waarop de aanbesteding betrekking heeft geen dienst vormt die voorafgaat aan de vervoersdienst of ten opzichte daarvan bijkomstig of toevoegend is, maar verband houdt met de uitvoering van die dienst en wordt verricht in het belang van het onroerend goed en de gebouwen die noodzakelijke onderdelen zijn van de spoorwegonderneming. Bijgevolg is op de onderhavige opdracht voor schoonmaakdiensten artikel 115 van de ITA wet overheidsopdrachten niet van toepassing zodat aanpassing van de contractueel vastgelegde vergoeding op basis van een ‘periodieke herziening van de prijs’ niet mogelijk is. Er moet dus nagegaan worden of het uitsluiten van toepasselijkheid van die bepaling verenigbaar is met het EUrecht. Daartoe legt hij het HvJEU de volgende vragen voor:

a) Is het verenigbaar met het recht van de Europese Unie (inzonderheid artikel 3, lid 3, VEU, de artikelen 26, 56 tot en met 58 en 101 VWEU, en artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) en met richtlijn 2004/17, wanneer op grond van intern recht prijsherziening is uitgesloten voor overeenkomsten betreffende de zogenoemde bijzondere sectoren, in het bijzonder bij opdrachten die een ander voorwerp hebben dan die vermeld in genoemde richtlijn, maar met deze laatste functioneel verbonden zijn?

b) Is richtlijn 2004/17 (ervan uitgaande dat de uitsluiting van prijsherziening in alle in het kader van de zogenoemde bijzonder sectoren gesloten en toegepaste overeenkomsten er rechtstreeks uit voortvloeit) verenigbaar met de beginselen van de Europese Unie (in het bijzonder artikel 3, lid 1, VEU, de artikelen 26, 56 tot en met 58 en 101 VWEU, en artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) wegens “onrechtvaardigheid, onevenredigheid alsook verstoring van contractueel evenwicht en, bijgevolg, van de regels van een doeltreffende markt”?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-136/12 Consiglio Nazionale dei Geologi;

Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten