C-153/17 Volkswagen

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   16 mei 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       2 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   2 juli 2017

Trefwoorden: btw; financiële diensten (leaseovereenkomsten - overheadkosten)

Onderwerp: richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1).

Verzoekster is een volle dochter van Volkswagen AG. Haar belangrijkste activiteit in VK is het verstrekken van financieringen, het aanbieden van verzekerings-, service- en onderhoudsdiensten. De activiteiten omvatten zes sectoren: retail, groothandel, verzekeringen, huurkoopovereenkomsten en de afhandeling daarvan, en trainingsprogramma’s voor dealers. In deze zaak gaat het om de overheadkosten van de huurkooptransacties (‘leasing’), voor welke transacties in VK volledige regelgeving bestaat. Verzoekster koopt voor ieder huurkooptransactie het voertuig van de wederverkoper en zij stelt het tegen betaling in termijnen ter beschikking van de klant op basis van een huurkoopovereenkomst. Het rentepercentage wordt door verzoekster (de ‘leverancier’) vastgesteld. Zij stelt niet alleen krediet beschikbaar maar staat de klant ook bij in geval van klachten. Wanneer de dealers het voor hun klanten aantrekkelijker willen maken (door middel van lagere rente, gratis upgrades, geringere aanbetaling e.d.) dan komt het verschil voor rekening van de dealer.

Verzoekster is door verweerster (belastingdienst) op 16-06-2008 aangeslagen in de btw; de grondslag wordt op 30-09-2008 vastgesteld. Het geschil ontstaat omdat partijen een verschillende toebedelingsmethode hanteren voor aftrek van de voorbelasting overheadkosten. Verweerster stelt dat voor wat de retailsector betreft de overheadkosten zijn ingebouwd in het rentetarief, ze worden niet apart in rekening gebracht, vormen geen deel van de contante prijs die de klant voor het voertuig aan verzoekster betaalt, aangezien die enkel de door verzoekster aan de wederverkoper betaalde prijs weergeeft. Verzoekster start medio 2011 een procedure bij de belastingrechter waar zij 18-08-2011 in het gelijk wordt gesteld. Het hoger beroep wordt echter 12-11-2012 aan verweerster toegewezen. Verzoekster stapt naar het Hof van Beroep waar haar beroep op 28-07-2015 gegrond wordt verklaard. Verweersters beroep ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

De verwijzende VK rechter (Supreme Court) moet de vraag beantwoorden hoe btw moet worden afgetrokken van overheadkosten die algemene kosten van een onderneming zijn, wanneer die onderneming zowel belastbare als vrijgestelde handelingen verricht, maar die algemene kosten alleen in de prijs van de vrijgestelde handelingen worden opgenomen. Vaststaat dat in casu de overheadkosten zijn toe te schrijven aan de huurkooptransacties. Het HvJEU heeft in de gevoegde zaken C-53/09 en C-55/09 geoordeeld dat de ‘economische realiteit’ van huurkooptransacties is dat de overheadkosten economisch gezien worden gebruikt voor vrijgestelde handelingen. Verweerster wijst met name op het arrest C-98/98 waarin het HvJEU zich heeft uitgesproken over aftrekbaarheid van btw op overheadkosten. Zij stelt dat er geen regel is op grond waarvan een LS steeds een bedrag aan voorbelasting op overheadkosten aan iedere verrichting moet toebedelen in ongeacht welke toebedelingsmethode op grond van artikel 173.2 c van RL 2006/112. Verzoekster wijst op haar recht op aftrek (artikel 168 van de RL) ‘voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen’, waarbij de term ‘gebruikt’ de kern vormt van de meeste uitspraken van het HvJEU. Bij overheadkosten is geen sprake van ‘gebruik voor’, maar zij stellen de onderneming in staat haar (economische) bedrijfsactiviteiten te verrichten. Zij verwijt verweerster onjuiste opvatting zowel van de rechtspraak van het HvJEU als van de werking van het btw-stelsel in het algemeen.

Hij stelt het HvJEU de volgende vragen:
1) Kan de belastingplichtige, wanneer aan leasetransacties (die bestaan in vrijgestelde financieringen en belastbare beschikbaarstelling van voertuigen) toegeschreven overheadkosten enkel zijn opgenomen in de prijs van de vrijgestelde verstrekking door de belastingplichtige van financieringen, een bedrag aan op die kosten rustende voorbelasting aftrekken?
2) Wat is de juiste uitlegging van punt 31 van het arrest van 8 juni 2000, Midland Bank (C-98/98, EU:C:2000:300), meer in het bijzonder van de overweging dat overheadkosten “deel uit[maken] van de algemene kosten van de belastingplichtige en [...] als zodanig bestanddelen [zijn] van de prijs van de producten van een onderneming”? In het bijzonder:
a) Moet deze passage aldus worden uitgelegd dat een lidstaat steeds een bedrag aan voorbelasting aan iedere handeling moet toeschrijven bij iedere krachtens artikel 173, lid 2, onder c), van de richtlijn?
b) Is dat zelfs het geval onder feitelijke omstandigheden waarbij de overheadkosten niet worden opgenomen in de prijs van de belastbare handelingen van de onderneming?
3) Impliceert het feit dat de overheadkosten, althans tot op zekere hoogte, zijn gebruikt voor het belastbare ter beschikking stellen van voertuigen
a) dat een bedrag aan op die kosten rustende voorbelasting aftrekbaar moet zijn?
b) Is dat zelfs het geval onder feitelijke omstandigheden waarbij overheadkosten niet worden opgenomen in de prijs van het belastbare ter beschikking stellen van voertuigen?
4) Kan het in beginsel toelaatbaar zijn dat het belastbare ter beschikking stellen van voertuigen (of de waarde ervan) buiten beschouwing wordt gelaten om te komen tot een bijzondere methode krachtens artikel 173, lid 2, onder c), van de richtlijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-98/98 Midland Bank; C-408/98 Abbey National; C-53/09 en C-55/09 Loyalty Management UK e.a.

Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten