C-159/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   22 mei 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       8 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   8 juli 2017

Trefwoorden: btw; recht op aftrek

Onderwerp: - richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb 2006, L 347, blz. 1).

Verzoekster is een eenmanszaak en sinds 13-07-2011 voor btw-doeleinden geregistreerd. Haar registratie wordt per 01-08-2012 door verweerster (belastingdienst) ambtshalve nietig verklaard omdat zij over het vierde kwartaal 2011 en het eerste kwartaal 2012 geen btw-aangifte heeft gedaan. Verzoekster heeft deze aangiften alsnog op 30-01-2014 gedaan maar niet verzocht om opnieuw te worden geregistreerd. Tussen 01-08-2012 en 31-07-2013 verricht zij diensten voor rechtspersonen waarover zij btw in rekening brengt. Over 01-08-2013 – 31-12-2014 brengt zij geen btw in rekening. Zij maakt geen gebruik van het speciale formulier voor belastingplichtigen wier btw-identificatienummer is geschrapt. Na een belastingcontrole over het tijdvak 14-07-2011 – 03-12-2014 stelt verweerster de verschuldigde btw vast. Verzoekster krijgt 07-08-2015 een aanslag met (vertragings-)rente. In het bedrag is ook extra btw meegenomen over het tijdvak 01-08-2012 – 31-12-2014 waarin verzoeksters btw-nummer nietig was verklaard. Verzoeksters bezwaar, waarin zij verzoekt om gedeeltelijke nietigverklaring van de aanslag en erkenning van haar recht op aftrek, wordt afgewezen op de grond dat verzoekster overeenkomstig de wet was bestraft met nietigverklaring van het btw-identificatienummer, zonder mogelijkheid van aftrek van de btw over de aankopen die waren gedaan met het oog op het verrichten van de belastbare handelingen. De Rb Constanta verwerpt haar vordering op 25-05-2016: de Rb stelt dat de in casu toepasselijke belastingregels zijn vastgesteld ter bestrijding van belastingontwijking door frauduleus gebruik van het btw-identificatienummer. Verzoekster gaat in hoger beroep bij de verwijzende rechter.

Bij de verwijzende ROE rechter (Hof van Beroep Constanta) stelt verzoekster dat de ROE btw-wet in strijd is met het EUrecht aangezien het in strijd is met het fundamentele beginsel van het btw-mechanisme, namelijk het beginsel dat de btw over alle aankopen die bestemd zijn voor belastbare handelingen onmiddellijk en volledig kan worden afgetrokken. Dit is vaste rechtspraak van het HvJEU. In de ROE wet wordt het recht op btw-aftrek niet opgeschort maar definitief uitgesloten. Verweerster stelt dat verzoekster de mogelijkheid had om binnen drie maanden na de nietigverklaring de betreffende aangiften alsnog te doen. Zij heeft dat echter pas veel later gedaan. De verwijzende rechter stelt vast dat uit rechtspraak van het HvJEU blijkt dat identificatie voor btw-doeleinden en de verplichting voor de belastingplichtige om het begin, de wijziging of het einde van zijn activiteit mee te delen slechts vormvereisten met het oog op de controle vormen die geen afbreuk kunnen doen aan het recht op aftrek van de btw indien is voldaan aan de materiële voorwaarden voor dat recht. Maar gezien het verschil in omstandigheden met het arrest C-183/14 twijfelt hij of die uitspraak naar analogie op onderhavige casus kan worden toegepast. Hij legt het HvJEU dan ook de volgende vraag voor:

“Moeten de artikelen 167 tot en met 169, artikel 179, artikel 213, lid 1, artikel 214, lid 1, onder a), en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG [van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een belastingplichtige wiens identificatie voor btw-doeleinden nietig is verklaard, in omstandigheden als in het hoofdgeding, aan de Staat de btw moet afdragen die is geïnd in het tijdvak waarin het btw-identificatienummer was geschrapt, maar geen recht heeft op aftrek van de btw over de in dat tijdvak verrichte aankopen?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-368/09 Pannon Gép Centrum; C-385/09 Nidera; C-183/14 Salomie en Oltean;

Specifiek beleidsterrein: FIN