C-16/17 TGE Gas Engineering

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   03 maart 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       17 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   17 april 2017

Trefwoorden: btw; aftrekregeling; neutraliteitsbeginsel

Onderwerp: - Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1);
- Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112/EG.

Verzoekster is een in POR ingeschreven filiaal (niet-ingezeten belastingplichtige met vaste inrichting) van de DUI vennootschap TGE Gas Engineering GmbH (TGE Bonn). TGE Bonn heeft in POR een fiscaal identificatienummer gekregen als ‘niet ingezetene zonder vaste inrichting’ voor de verrichting van één transactie (verwerving van vennootschapsaandelen). TGE Bonn heeft op 17-04-2009 met Somague Engenharia een ondernemingsgroep (een ACE) opgericht (‘Projesines’, deelname TGE Bonn 15%, Somague 85%), voor uitvoering van het uitbreidingsproject voor de terminal te Sines. Inschrijving geschiedt als niet-ingezeten vennootschap zonder vaste inrichting. Op 04-05-2009 sluit verzoekster met de ACE een onderaannemingsovereenkomst voor werk aan het nationale energienetwerk.
Op 12-03-2013 vindt bij verzoekster een belastinginspectie plaats over 2009 – 2011. Belastingdienst (verweerster) stelt daarbij vast dat ten onrechte voorbelasting is afgetrokken voor door de ACE in rekening gebrachte kosten en niet aangetoonde lasten en legt een naheffing op met rente over 2010 en 2011. Verzoekster betaalt de ontbrekende bedragen, maar tekent 28-03-2014 bezwaar aan dat wordt afgewezen. Op 19-09-2014 stelt zij administratief beroep in dat 25-09-2015 wordt verworpen. Op 22-12-2015 dient verzoekster het verzoek om arbitrage bij de verwijzende rechter in.
Verzoekster wordt verweten dat voor oprichting van de ACE gebruik is gemaakt van het identificatienummer dat aan TGE Bonn is toegewezen (als ‘niet-ingezetene zonder vaste inrichting’) terwijl ten tijde van die oprichting al een identificatienummer aan verzoekster (als ‘niet-ingezetene met vaste inrichting’) was toegekend. Zij stelt haar status als belastingplichtige te ontlenen aan het feit dat zij een economische activiteit uitoefent. In de prijs van de voor de ACE verrichte bouwdiensten zijn kosten die rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met haar belastbare handelingen begrepen. Verweerster stelt dat verzoekster een van de moeder gescheiden belastingplichtige is en niet gerechtigd is de kosten en btw die aan de moeder dienen te worden toegerekend af te trekken. Niet verzoekster, maar de moeder is lid van de ACE.

De verwijzende POR rechter (belastingrechter) legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:

“Moeten de artikelen 44, 45, 132, lid 1, onder f), 167, 168, 169, 178, 179, 192 bis, 193, 194 en 196 van de btw-richtlijn (richtlijn 2006/112), de artikelen 10 en 11 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 en het neutraliteitsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de Portugese belastingdienst een filiaal van een vennootschap naar Duits recht het recht op aftrek van voorbelasting ontzegt in omstandigheden waarin:

– de vennootschap naar Duits recht in Portugal een fiscaal identificatienummer als niet in het binnenland gevestigde onderneming zonder vaste inrichting voor de verrichting van één transactie, te weten de “verwerving van vennootschapsaandelen”, heeft gekregen;
– het filiaal van die vennootschap naar Duits recht nadien in Portugal is ingeschreven en een eigen fiscaal nummer, als vaste inrichting van die vennootschap, heeft gekregen;
– de vennootschap naar Duits recht vervolgens met gebruikmaking van het eerste identificatienummer met een andere onderneming een overeenkomst tot oprichting van een ondernemingsgroep (Agrupamento Complementar de Empresas, ACE) voor de uitvoering van werken in Portugal heeft gesloten;
– het filiaal daarop met gebruikmaking van zijn eigen belastingnummer een onderaannemingsovereenkomst met de ACE heeft gesloten waarin de wederzijdse prestaties tussen het filiaal en de ACE werden overeengekomen met de bepaling dat de ACE aan de onderaannemers de door haar gedragen lasten in de overeengekomen verhouding zou afwentelen;
– de ACE op de debetnota’s voor de afwenteling van kosten op het filiaal het identificatienummer van het filiaal heeft vermeld en btw in rekening heeft gebracht;
– het filiaal de in de debetnota’s in rekening gebrachte btw als voorbelasting heeft afgetrokken;
– de activiteiten van de ACE (in de vorm van onderaanneming) worden gevormd door de activiteiten van het filiaal en van de andere onderneming van de ACE, waarbij deze beide ondernemingen de ACE het totaalbedrag van de door deze aan de opdrachtgever in rekening gebrachte omzet in rekening hebben gebracht?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN
 

Gerelateerde documenten