C-160/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   26 mei 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       12 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   12 juli 2017

Trefwoorden: milieu; ruilverkaveling; MER; ruimtelijke ordening

Onderwerp: - richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s;

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen een besluit van de Waalse regering van 03-05-2012 waarmee een ‘omtrek voor stedelijke verkaveling’ wordt vastgesteld van meer dan 4 ha. Gezien het openbaar belang en de omvang van het project gelden vereenvoudigde procedures voor het verlenen van een vergunning en voor onteigening en kan worden afgeweken van toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften. Het besluit is niet beperkt in de tijd dus geldt ook voor toekomstige projecten in het gebied. De aanvraag is gedaan door de NV Bodymat die van plan is de bestaande industriële gebouwen te renoveren en daarin winkels en woningen in te richten en een nieuwe (ontsluitings)weg aan te leggen. Er is een milieueffectbeoordeling (MER) verricht. Verzoekers zijn particulieren die in de omgeving wonen. Zij stellen schending van de BEL Gw en van RL 2001/42. Het besluit moet worden gelijk gesteld met een ‘plan of programma’ en daarom moet een MER worden verricht die voldoet aan RL 2001/42. De uitgevoerde MER voldoet daar niet aan: er heeft geen openbaar onderzoek plaatsgevonden en de betrokken instanties, gemeenten en instellingen zijn niet volgens de regels geraadpleegd. Zij wijzen met name op de impact van het plan op de goede ruimtelijke ordening (geluids- en verkeershinder, milieuvervuiling en dergelijke). Wanneer zoals verweerders (Waals Gewest en Bodymat) stellen RL 2001/42 niet behoeft te worden toegepast zou dat volgens verzoekers betekenen dat deze RL niet correct in BEL recht is omgezet. Waals Gewest meent dat de verrichte MER, die alleen verplicht zou zijn voor het stedenbouwkundig project, niet voor de ruilverkaveling, volledig genoeg was om over de aanvraag te beslissen. Bodymat wijst op de omvang van de uitgevoerde studie waarin een analyse is verricht van de effecten op flora en fauna, bodem, water, lucht, klimaat, landschap en leefomgeving. De uit het project voortvloeiende uitvoeringsprojecten zullen eveneens aan een MER worden onderworpen, en aan de eisen van de betreffende richtlijnen moeten voldoen.

De verwijzende BEL rechter (RvS) heeft de vraag met betrekking tot de strijd met de Gw voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof dat op 16-06-2016 oordeelde dat er geen strijd met de Gw is . Hij benadrukt dat het bestreden besluit geen voorschriften (mag) bevat(ten) en als enig doel heeft de grenzen van een geografisch gebied vast te stellen. Het stedenbouwkundig project staat daar geheel los van. Hij somt de drie rechtsgevolgen op van de aanwijzing van een verkavelingsgebied zoals vastgesteld in het Waals milieuWb. Op grond daarvan oordeelt hij dat het besluit rechtmatig is. Rest de vraag of verzoekers een punt hebben wat betreft het ontbreken van een correcte MER als gevolg van onjuiste omzetting van RL 2001/42. Die vraag legt hij voor aan het HvJEU:

“Dient artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s aldus te worden uitgelegd dat het begrip ‘plan of programma’ een in een wettelijke bepaling voorziene omtrek [‘perimeter’] omvat die is vastgesteld door een regionale autoriteit en:

– die enkel ertoe strekt de grenzen af te bakenen van een geografisch gebied waarin een stedenbouwkundig project kan worden uitgevoerd, met dien verstande dat dit project, dat een bepaald doel moet nastreven – in casu de herwaardering en ontwikkeling van de stedelijke functies die vereist zijn voor de aanleg, de wijziging, de uitbreiding, de afschaffing of de overhang van de wegen en openbare ruimten– ten grondslag ligt aan de vaststelling van die omtrek, waardoor het stedenbouwkundig project dan ook principieel wordt aanvaard, maar dat voor dit project nog vergunningen moeten worden verleend waarvoor een effectbeoordeling dient te worden verricht, en

– die vanuit procedureel oogpunt tot gevolg heeft dat voor vergunningsaanvragen voor handelingen en werken in die omtrek aanspraak kan worden gemaakt op een uitzonderingsregeling, met dien verstande dat de stedenbouwkundige voorschriften die vóór de vaststelling van die omtrek van toepassing waren op de betrokken gronden weliswaar blijven gelden, maar dat dankzij deze procedure gemakkelijker van die voorschriften kan worden afgeweken;

– die geacht wordt van openbaar belang te zijn voor de onteigeningen in het kader van het daaraan als bijlage gehechte onteigeningsplan?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: IenM; BZK