C-165/17 Morgan Stanley & Co International

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   06 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   23 juli 2017

Trefwoorden: btw; neutraliteitsbeginsel; pro rata aftrek; recht vrije vestiging

Onderwerp: - richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (Pb L 145, blz 1) (Zesde BTW-RL);
- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1).

Verzoekster is een investeringsmaatschappij naar Engels recht. Bij twee belastingcontroles over de tijdvakken 01-12-2002 – 30-04-2005 en 01-12-2005 – 30-04-2009 is vastgesteld dat het filiaal, een vaste inrichting in de zin van de btw-wet, bancaire en financiële handelingen voor zijn plaatselijke cliënten verrichtte, waarvoor hij voor de toepassing van de btw had gekozen, en voorts diensten voor de Britse zetel verrichtte waarvoor hij als tegenprestatie stortingen ontving. Het filiaal heeft de volledige btw over deze uitgaven afgetrokken. FRA MinFIN is het daar niet mee eens aangezien het om gemengde uitgaven gaat die verband houden met handelingen die zowel met de zetel als met de cliënten van het filiaal worden verricht. Als verzachtende maatregel heeft hij wel de aftrek van een deel van de btw toegestaan door toepassing van het pro rata voor de toepassing van de aftrek van de Britse zetel, onder voorbehoud van uitsluiting van het recht op aftrek die in FRA geldt. Verzoekster krijgt een naheffing en boete opgelegd en heeft bij de bestuursrechter Montreuil verzocht om kwijtschelding daarvan. Dit is bij vonnissen van 11-02-2010 en 20-10-2011 afgewezen. Het Hof van Beroep Versailles heeft verzoeksters beroep verworpen. Verzoekster heeft zich op 30-03-2015 tot de verwijzende rechter gewend. Zij stelt dat het Hof Versailles met zijn uitspraak het neutraliteitsbeginsel van de btw alsmede het recht op vrije vestiging heeft geschonden door te oordelen dat de interne diensten die het in een EULS gevestigde filiaal van een bankinstelling heeft verricht voor de in een andere LS gevestigde zetel op zich voor de vaststelling van de rechten op aftrek de hoedanigheid van gedeeltelijk belastingplichtige toekennen, louter omwille van het feit dat die stromen niet belastbaar zijn.

De verwijzende FRA RvS haalt de beschikking van het HvJEU aan in zaak C-393/15 waarin het Hof de artikelen 17, 19 van RL 77/388 en artikelen 168, 169 en 173 van RL 2006/112 nader uitlegt. Bij arrest C-388/11 heeft het Hof de regels voor toepassing van het pro rata-beginsel nader gespecificeerd in geval van aftrek door een filiaal dat zich in een situatie als onderhavige bevindt: de omzet van in andere EULS gevestigde filialen mag niet in aanmerking worden genomen. De verwijzende rechter dient te onderzoeken welk gevolg in casu de genoemde richtlijnbepalingen op toepassing van het pro rata-beginsel hebben en welke regels van toepassing zijn in het specifieke geval waarin de uitgaven van het filiaal bijdragen tot het verrichten van zijn handelingen in zijn staat van registratie en van de handelingen van de zetel, met name ten aanzien van het begrip algemene kosten en het pro rata voor de toepassing van de aftrek. Hij legt daartoe het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Moeten de bepalingen van artikel 17, leden 2, 3 en 5, en artikel 19, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG), die zijn overgenomen in de artikelen 168, 169 en 173 tot en met 175 van richtlijn 2006/112/EG, wanneer de uitgaven van een in een eerste lidstaat gevestigd filiaal uitsluitend aan het verrichten van handelingen van zijn in een andere lidstaat gevestigde zetel worden toegewezen, aldus worden uitgelegd dat zij tot gevolg hebben dat de lidstaat van het filiaal op die uitgaven het pro rata voor de toepassing van de aftrek van het filiaal toepast, bepaald op basis van de handelingen die het in zijn staat van registratie verricht en volgens de in die staat geldende regels, dan wel het pro rata voor de toepassing van de aftrek van de zetel dan wel een specifiek pro rata voor de toepassing van de aftrek waarbij de regels worden gecombineerd die van toepassing zijn in de lidstaat van registratie van het filiaal en de lidstaat van de zetel, in het bijzonder met betrekking tot het eventuele bestaan van een optieregeling voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde over de handelingen?

2. Welke regels dienen te worden toegepast in het specifieke geval waarin de uitgaven van het filiaal bijdragen tot het verrichten van zijn handelingen in zijn staat van registratie en van de handelingen van de zetel, met name ten aanzien van het begrip algemene kosten en het pro rata voor de toepassing van de aftrek?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-388/11 Le Credit Lyonnais; C-393/15 ESET;

Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten