C-167/16 Banco Bilbao Vizcaya Argentaria

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   13 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       30 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   30 mei 2017

Trefwoorden: consumentenbescherming; oneerlijke handelspraktijken

Onderwerp: richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

Deze zaak was eerder geschorst in afwachting van arrest in zaak C-421/14 Banco Primus SA. De verwijzende rechter heeft aangegeven dat het arrest (van 26-01-2017) zijn verzoek te willen handhaven. Hij wijst daarbij op de zaak C-70/17 van de hoogste SPA rechter (Abanca Corporación Bancaria). In die zaak heeft de rechter verzocht om voeging met C-167/16 (onderhavige zaak) en C-92/16 (eveneens geschorst) omdat nog steeds twijfels bestaan omtrent de uitlegging van het EU-recht.
Verzoekster heeft 23-06-2008 een hypothecaire lening verstrekt aan twee SPA consumenten voor een bedrag van € 79.234,96 terug te betalen in 204 maandelijkse termijnen. Ook hier heeft de bank in de voorwaarden een clausule tot vervroegde opeisbaarheid van de lening opgenomen, in dit geval vanwege niet-betaling van (een deel van) de hoofdsom of rente op de dag dat de bedragen opeisbaar worden. Verweerders betalen in de periode juli-oktober 2012 de maandelijkse bijdrage niet waarna verzoekster 08-05-2013 een hypothecaire executieprocedure start bij de verwijzende rechter. Verweerders tekenen 23-09-2013 verzet aan en vragen om vaststelling van het oneerlijke karakter van het beding. Dit leidt tot zaak C-602/13 (eveneens een geschorste zaak die bij beschikking van 11-06-2015 is afgedaan, na arrest in de gevoegde zaken C-482/13 - C-487/13 Unicaja Banco e.a).

De verwijzende SPA rechter (Rb Santander) leest in punt 2 van het dictum van dit arrest “Richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de nationale rechter heeft vastgesteld dat een beding in een consumentenovereenkomst ‚’oneerlijk’ in de zin van artikel 3, lid 1, van RL 93/13 is, het feit dat dat beding niet tot uitvoering is gebracht, op zich de nationale rechter niet kan verhinderen alle passende consequenties aan dat ‘oneerlijke’ karakter te verbinden.” Hij stelt daarover de volgende vragen aan het HvJEU:

1) Is het verenigbaar met de artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, dat een als oneerlijk aangemerkt beding inzake vervroegde opeisbaarheid, dat de grondslag vormt van een executieprocedure, geen gevolgen heeft in de gerechtelijke procedure waarin de oneerlijkheid wordt vastgesteld?
2) Is een uitlegging die de gevolgen van de kwalificatie van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid als oneerlijk afhankelijk stelt van de specifieke kenmerken van de procedures waartussen de verkoper kan kiezen, verenigbaar met de artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 93/13?
3) Is een uitlegging volgens welke, ook indien een standaardbeding in een duurovereenkomst vervroegde opeisbaarheid op grond van niet ernstige niet-nakoming toestaat met als gevolg een voor de consument nadeligere situatie dan wanneer de aanvullende procesrechtelijke regel zou zijn gehanteerd, het beding niet nietig zou zijn louter omdat er in het nationale procesrecht een regel ter correctie bestaat die alleen toepasselijk is in de specifieke door de verkoper gekozen procedure en uitsluitend indien bepaalde omstandigheden zich voordoen, in overeenstemming met artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 93/13?
4) Is artikel 693, lid 3, Ley de Enjuiciamiento Civil (Spaanse wet op de burgerlijke rechtsvordering (LEC)) voor de consument een geschikt en doeltreffend middel om de gevolgen van een oneerlijk beding inzake vervroegde beëindiging ongedaan te maken, gelet op het feit dat hij de rente en kosten moet betalen?
5) Eerbiedigt een nationale wettelijke procedureregeling die de consument rechten toekent die hij kan uitoefenen in een bijzonder voortvarende executieprocedure waarvoor de verkoper kan kiezen naast andere ter beschikking staande alternatieven, waarin dergelijke rechten niet bestaan, het doeltreffendheidsbeginsel van richtlijn 93/13 en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ