C-167/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   25 mei 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       11 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   11 juli 2017

Trefwoorden: milieu; Verdrag van Aarhus; kosten (inspraak)procedure;

Onderwerp: - Verdrag van Aarhus

- richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad;
- Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten Voor de EER relevante tekst

Verzoeker komt in juni 2004 op tegen de verlening van een bouwvergunning door verweerster An Board Pleanala aan een bouwbedrijf voor de bouw van een kadaverinspectie-eenheid. In juli 2007 krijgt verzoeker toestemming voor rechterlijke toetsing van het besluit: het High Court doet 23-04-2008 uitspraak dat het verzoek ongegrond is en verzoeker wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de kosten van de toetsingsprocedure die zijn gemaakt na uiterste datum voor omzetting van de inspraakRL 2003/35. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 23-04-2008. Conform procedure is de door verweerster opgestelde kostenbegroting voorgelegd aan de ‘Taxing Master’ van het Surpreme Court. In die procedure heeft verzoeker op grond van artikel 3.8 en 9.4 van het Verdrag van Aarhus en artikel 10 bis van RL 2011/92 betoogd dat een (inspraak)procedure niet ‘buitensporig kostbaar’ mag worden. Maar de Taxing Master stelt dat hij niet bevoegd is dit te toetsen. Verzoeker heeft daarop beroep ingesteld bij het High Court tegen het besluit van 24-06-2010 van de Taxing Master (tot vaststelling van de kosten op € 86.000…). Dit besluit wordt door het High Court bevestigd zodat de zaak nu voorligt bij de verwijzende rechter.

Van het IER Supreme Court (verwijzende rechter) stelt vast dat het bestreden besluit genomen vóór de uiterste termijn voor omzetting van RL 2003/35 (waarmee met name artikel 10 bis is ingevoegd). Ook verzoekers beroep lag voor die datum, maar de kosten zijn alle gemaakt na de uiterste omzettingstermijn. Hij wijst op het oordeel van HvJEU in C-72/12 dat het in de inspraakRL vervatte vereiste om bepaalde projecten aan een milieubeoordeling te onderwerpen, van toepassing is op bestuurlijke vergunningen waarvoor de procedure vóór 25-06-2005 was opgestart maar waarbij de vergunning na die datum is afgegeven. Verzoeker wijst op de zaak C-260/11: het feit dat de oorspronkelijke vergunning en het beroep dateren van vóór de uiterste datum voor de omzetting lijkt niet van invloed te zijn geweest op de beslissing van het VK-Supreme Court om vragen te stellen over de werking van artikel 10 bis voor wat betreft de kostenveroordelingen.

Naast de kwestie van het tijdsverloop speelt de vraag of de bepaling rechtstreekse werking kan hebben. In zaak C-240/09 heeft het HvJEU geoordeeld dat artikel 9.3 van het Verdrag van Aarhus geen rechtstreekse werking heeft, maar benadrukte ook dat de nationale rechter bepaalde procesrechtelijke regels zoveel mogelijk in overeenstemming met de doelstelling van het artikel moet uitleggen. De vraag die moet worden beantwoord is dan of de eis van ‘niet buitensporig kostbaar’ in RL 2003/35 rechtstreekse werking heeft. Het IER recht inzake kostenveroordelingen in bepaalde milieuzaken is in 2011 (in positieve zin) gewijzigd maar heeft geen terugwerkende kracht. Zoals uit rechtspraak van het HvJEU blijkt heeft de IER rechter aanzienlijke discretionaire ruimte ten aanzien van kostenveroordelingen maar de verwijzende rechter is desondanks van mening dat het mogelijk zou zijn om die discretionaire ruimte waarover een IER rechter in het common-law-systeem ten opzichte van kostenveroordelingen beschikt, zodanig uit te leggen dat de rechter verplicht is kostenveroordelingen te beperken tot een met het oog op EU-recht acceptabel niveau. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1 Is het in artikel 10 bis van de inspraakrichtlijn bepaalde over de “niet buitensporig kostbaar”-eis van toepassing in een geval zoals het onderhavige, waarin de in de procedure ter discussie staande bouwvergunning was verleend vóór de uiterste datum voor de omzetting van die richtlijn en waarin de procedure tegen de betrokken bouwvergunning ook vóór die datum was begonnen? Zo ja, is dan het in artikel 10 bis van de inspraakrichtlijn bepaalde in verband met de “niet buitensporig kostbaar”-eis van toepassing op alle tijdens de procedure gemaakte kosten of enkel op de kosten die na de uiterste datum voor de omzetting zijn gemaakt?
2 Is een nationale rechter die een ruime discretionaire ruimte heeft bij de tegen een verliezende partij uit te spreken kostenveroordeling, bij gebreke van een door de betrokken lidstaat vastgestelde specifieke maatregel ter omzetting van artikel 10 bis van de inspraakrichtlijn, verplicht om, indien hij in een procedure als bedoeld in die bepaling een kostenveroordeling overweegt, ervoor te zorgen dat een dergelijke veroordeling niet tot gevolg heeft dat de procedure “buitensporig kostbaar” wordt, hetzij omdat de betrokken bepalingen rechtstreekse werking hebben, hetzij omdat de rechter van de betrokken lidstaat zijn nationale procesrecht zoveel mogelijk zodanig dient uit te leggen dat de doelstellingen van artikel 10 bis worden verwezenlijkt?
3 Indien er geen voorwaarden zijn verbonden aan een kostenveroordeling en deze bij gebreke van hoger beroep naar nationaal recht als definitief en onherroepelijk zou worden aangemerkt, vereist het Unierecht dan dat
  (a) een Taxing Master die overeenkomstig het nationale recht is belast met de taak om de hoogte van de door een winnende partij redelijkerwijs gemaakte kosten te begroten; dan wel
  (b) een rechter die wordt verzocht een beslissing van die Taxing Master te toetsen desondanks verplicht is om af te wijken van normaal gesproken toepasselijke maatregelen van nationaal recht en daarbij de hoogte van de kostenveroordeling zodanig vast te stellen dat ervoor wordt gezorgd dat de betrokken kosten de procedure niet buitensporig kostbaar maken?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-240/09 Lesoochranárske zoskupenie ; C-260/11 Edwards; C-72/12 Gemeinde Altrip;

Specifiek beleidsterrein: IenM