C-168/17 SH

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   01 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   18 juli 2017

Trefwoorden: GBVB; beperkende maatregelen (Libië)

Onderwerp: - Verordening (EU) nr. 45/2014 van de Raad van 20 januari 2014 tot wijziging van verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië;
- Verordening (EU) nr. 2016/44 van de Raad van 18 januari 2016 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van verordening (EU) nr. 204/2011;

Aangezien deze zaak achter gesloten deuren is behandeld heeft het HvJEU gevolg gegeven aan het verzoek van de HON verwijzende rechter tot anonimisering van partijen.

HIB (Libyan Housing and Infrastructure Board) heeft met HON aannemer UF (interveniënte in de procedure) een overeenkomst gesloten tot aanneming van werk voor de aanleg van openbare voorzieningen in Libië. HIB eist daarvoor Libische bankgaranties voor de vooruitbetaalde bedragen (‘vooruitbetalingsgarantie’) en een ‘uitvoeringsgarantie’ tot deugdelijke uitvoering. Er is in 2009 een keten van overeenkomsten gesloten waarbij garanties en contragaranties zijn gesteld en waarbij als partijen verzoekster SH, verweerster TG, interveniënte UF en de LIB Sahara Bank betrokken waren.

Het gaat in deze zaak om de contragarantieovereenkomsten tussen SH en UF (begunstigde TG), voor de vooruitbetaling (= APG-contragarantie; afloopdatum 14-09-2013) en de uitvoering (= PG-contragarantie; afloopdatum 15-07-2014). Verweerster TG sloot onder verstrekking van contragaranties een overeenkomst met Sahara Bank af, waardoor Sahara Bank bankgaranties kon afgeven aan HIB.

In 2011 worden zowel in VN- als in EU-verband beperkende maatregelen jegens LIB van kracht (VN-resolutie 1970(2011) en EU-besluit 2011/137/GBVB). Op bijlage III staat HIB opgenomen en ook (tot 02-09-2011) Sahara Bank. Er ontstaan problemen met de uitbetalingsverplichtingen van de contragaranties. Op 18-12-2012 wordt een bewaargevingsovereenkomst gesloten tussen partijen waarbij de nog niet betaalde garantiekosten op een geblokkeerde rekening worden gestort. Op 22-04-2013 verbiedt de HON rechter verweerster TG de contragarantie aan Sahara Bank uit te betalen zolang HIB in Vo. 204/2011 wordt genoemd. Na overleg met de EURCIE heeft de laatste geadviseerd gezien plaatsing van HIB op bijlage III dat aan HIB noch direct noch indirect tegoeden ter beschikking moeten worden gesteld. Begin 2014 wordt HIB van de bijlage III geschrapt. 31-01-2014 vraagt verzoekster om deblokkering van de rekening maar verweerster weigert dat omdat niet aan de voorwaarden voor deblokkering zou zijn voldaan. Op 10-03-2014 heeft de EURCIE een advies uitgebracht (na een vraag vanuit FRA) dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verzoek tot gebruikmaking van de garantie en de op basis van de garantie gedane betaling (artikelen 5 en 12 van Vo. 204/2011).

Verzoekster eist voor de rechter in eerste aanleg dat de rechterlijke uitspraak in de plaats treedt van verweersters wilsverklaring die noodzakelijk is voor deblokkering van de rekening. Verweerster eist in reconventie een (schade-)vergoeding ter uitvoering van de overeenkomst, meer subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Verzoeksters eis met betrekking tot de wilsverklaring wordt 07-12-2015 gehonoreerd maar zij wordt tevens veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding omdat de provisie op de garantiekosten niet onder Vo. 204/2011 vallen (maar een tegenprestatie voor de door HON rechtspersoon verleende dienst). In tweede instantie is de reconventionele eis geheel afgewezen vanwege de later gesloten bewaargevingsovereenkomst waardoor de bepalingen over vergoedingen en verschuldigdheid van kosten zijn gewijzigd. Verweerster heeft cassatieberoep ingesteld. Zij stelt dat de rechter artikelen 5 en 12 van Vo. 204/2011 onjuist heeft uitgelegd. De sancties zouden slechts betrekking hebben op LIBaut en een bank valt daar niet onder. Verzoekster is het eens met de uitspraak van de eerste rechter dat in de keten van overeenkomsten doorslaggevend is dat HIB op de verbodslijst stond.

De verwijzende HON rechter (Hoogerechtshof) constateert uiteenlopende zienswijzen omtrent de vraag of sprake is van indirecte betaling waar het gaat om de garantiekosten die voortvloeien uit de tussen partijen in het geding bestaande rechtsverhouding. Indien betaling van garantiekosten valt binnen de werkingssfeer van de Vo. waarbij embargomaatregelen zijn getroffen, dient te worden nagegaan of op het geding tussen partijen Vo. 204/2011 van toepassing is, welke Vo. van kracht was bij het verstrijken van de looptijd van de garanties, dan wel de bij de vaststelling van de hoogte van de garantiekosten vigerende Vo (Vo. 2016/44 is tijdens de procedure in werking getreden). Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Vallen de volgende verplichtingen die strekken tot betaling van garantiekosten en die voortvloeien uit contragarantieovereenkomsten welke onderdeel zijn van een keten van overeenkomsten en zijn gesloten ter verstrekking van een bankgarantie aan de Libyan Housing and Infrastructure Board (hierna: “HIB”) binnen de werkingssfeer van verordening (EU) nr. 204/2011, dan wel eventueel van verordening (EU) nr. 2016/44 wanneer:
1.1. een in de Europese Unie gevestigde bank op grond van een contragarantieovereenkomst verplicht is garantiekosten te betalen aan een Libische bank die op de verbodslijst van bijlage III bij verordening nr. 204/2011 staat;
1.2. een in de Europese Unie gevestigde bank op grond van een contragarantieovereenkomst verplicht is garantiekosten te betalen aan een Libische bank die niet op de verbodslijst van bijlage III bij verordening nr. 204/2011 staat, maar de bankgarantie is afgegeven aan HIB en HIB wel op die lijst staat;
1.3. verordening nr. 204/2011, na wijziging ervan bij verordening (EU) nr. 45/2014, directe of indirecte betalingen aan Libische organisaties verbiedt;
1.4. de verplichting tot betaling van garantiekosten voortvloeit uit een contragarantieovereenkomst welke onderdeel is van een keten van overeenkomsten en in het kader van de verhouding tussen twee in de Europese Unie gevestigde banken is gesloten ter verstrekking van een bankgarantie aan HIB;
1.5. de hoogte van de garantiekosten na het verstrijken van de garantieperiode in een gerechtelijke procedure en na de inwerkingtreding van verordening nr. 2016/44 wordt vastgesteld?
2. Voor het geval de in de punten 1.1 en 1.2 genoemde verplichting tot betaling van garantiekosten binnen de werkingssfeer van de verordening valt, is dan sprake van tegoeden die direct of indirect worden gebruikt ten behoeve van de in bijlage III bij verordening nr. 204/2011 genoemde rechtspersonen, entiteiten en lichamen, bij de garantiekosten die aan een Libische bank – die ook enige tijd op de verbodslijst van bijlage III heeft gestaan – zijn betaald ter verstrekking van een vooruitbetalingsgarantie en een uitvoeringsgarantie aan HIB?
3. Moet artikel 12, lid 1, onder b), van verordening nr. 204/2011, na wijziging van die verordening bij verordening nr. 45/2014 (vraag 1.3), aldus worden uitgelegd dat de door een Libische bank gevorderde en door een in de Europese Unie gevestigde bank op grond van een contragarantieovereenkomst betaalde kosten en uitgaven direct of indirect zijn aan te merken als garantievorderingen?
4. Is als een persoon of entiteit in de zin van artikel 12, lid 1, onder c), van verordening nr. 204/2011, zoals gewijzigd bij verordening nr. 45/2014, dus als een persoon of entiteit, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de onder a) of b) van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 204/2011 bedoelde personen, entiteiten of lichamen, aan te merken een in de Europese Unie gevestigde bank die op grond van een contragarantieovereenkomst welke onderdeel is van een keten van overeenkomsten en is gesloten ter verstrekking van een bankgarantie aan HIB, verplicht is garantiekosten te betalen aan een Libische entiteit (vraag 1.4)? Zijn de garantiekosten die deze bank vordert van een andere in de Europese Unie gevestigde bank, direct of indirect aan te merken als garantievorderingen?
5. Heeft de in artikel 9 van verordening nr. 204/2011 opgenomen afwijking betrekking op alle betalingen?
6. Is verordening nr. 2016/44 van toepassing op het geschil tussen partijen, aangezien de hoogte van de garantiekosten wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van die verordening, waarbij verordening nr. 204/2011 is ingetrokken, maar waarbij in wezen sprake is van identieke bepalingen (vraag 1.5), en moet artikel 17, lid 1, onder b), van verordening nr. 2016/44 aldus worden uitgelegd dat de door een Libische bank gevorderde en door een in de Europese Unie gevestigde bank op grond van een contragarantieovereenkomst betaalde kosten en uitgaven direct of indirect zijn aan te merken als garantievorderingen?
Is als een persoon of entiteit in de zin van artikel 17, lid 1, onder c), van verordening nr. 2016/44, dus als een persoon of entiteit, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de in punt a) of punt b) van artikel 17, lid 1, van die verordening bedoelde personen, entiteiten of lichamen, aan te merken een in de Europese Unie gevestigde bank die op grond van een contragarantieovereenkomst welke onderdeel is van een keten van overeenkomsten en is gesloten ter verstrekking van een bankgarantie aan HIB, verplicht is garantiekosten te betalen aan een Libische entiteit? Zijn de garantiekosten die deze bank vordert van een andere in de Europese Unie gevestigde bank, direct of indirect aan te merken als garantievorderingen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: BZ; VenJ;
 

Gerelateerde documenten