C-169/17 Asociación Nacional de Productores de Ganado Porcino

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   29 mei 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       15 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   15 juli 2017

Trefwoorden: dierenwelzijn; kwantitatieve beperkingen;

Onderwerp: - VWEU artikel 35 (verbod uitvoerbeperkingen)
- verordening (EU) nr. 1151/2012 [van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen];
- richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens.

Verzoekster (nationale vereniging van varkensproducenten) komt op tegen een SPA KB van 10-01-2014 tot vaststelling van kwaliteitsnormen voor vleesproducten van Iberische varkens. Haar bezwaar betreft met name artikel 8.1 en 2 van het besluit dat gaat over het houderijsysteem en de minimale slachtleeftijd voor dieren uit de intensieve veehouderij. De verplichte minimale ruimte voor Iberische vleesvarkens wordt 2 m2 per varken, terwijl dat voorheen 1 m2 was, welke maat nog steeds geldt voor niet-vleesvarkens en andere varkensrassen. Varkenshouders zullen hun bedrijfsruimte dan ook moeten verdubbelen óf de productie aanzienlijk verlagen of overbrengen naar een niet-EU-land. Verzoekster wijst op VWEU artikel 35. Het houden van Iberische varkens is in FRA en ITA enorm toegenomen met alle gevolgen van dien voor de concurrentieverhoudingen. Zij stelt strijd met artikel 3.1 a van RL 2008/120: het doel van die bepaling is een betere bescherming van varkens terwijl het doel van de SPA regeling is de kwaliteit van het product te verbeteren waardoor hogere marktprijzen mogelijk worden. Deze maatregel zou dan niet enkel voor Iberische varkens mogen gelden. Zij heeft ook bezwaar tegen de minimale slachtleeftijd van 10 maanden. Er bestaat een ideaal slachtgewicht dat (in de intensieve veehouderij) al bereikt kan worden bij 8 maanden. Een hoger gewicht (bij 10 maanden) leidt niet tot een betere prijs omdat er vaste prijzen voor stukken vlees gehanteerd worden. Verweerder (SPA staat) ziet geen schending van EUrecht noch inbreuk op RL 2008/120: het KB behelst geen verwijzing naar die RL. Het gaat in het KB om een kwaliteitsnorm. De beschikbare ruimte wordt in het KB voor het eerst vastgelegd (zoals bedoeld in Vo. 1151/2012). De minimumleeftijd was al eerder in een KB geregeld (2001). SPA OM wijst erop dat verschil in behandeling kan ontstaan omdat niet in SPA geproduceerde producten die buiten SPA worden verkocht niet binnen de werkingssfeer van het SPA KB lijken te vallen. Indien dat het geval is, is sprake van een verschil in behandeling op basis van de plaats waar de producten worden geproduceerd of verkocht.

De verwijzende SPA Hoge Raad stelt vast dat het KB niet ziet op het definiëren of in het leven roepen van een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding, maar slechts op een kwaliteitsaanduiding. Daarom kunnen in andere EULS dan SPA van Iberische varkens afkomstige producten worden geproduceerd en in de handel worden gebracht, welke producten als Iberisch worden aangemerkt en met die aanduiding worden verkocht in de rest van de EU.  Het gevolg van het KB is dat producenten in SPA hogere productiekosten hebben dan producenten in andere EULS en worden zij in hun belangen geschaad. Mede gezien de twijfel of het doel van de regeling (kwaliteitsverbetering) de in- en uitvoerbeperkingen rechtvaardigt legt hij de volgende vragen voor aan het HvJEU:
Eerste vraag: Moeten de artikelen 34 en 35 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling als artikel 8, lid 1, van koninklijk besluit 4/2014 van 10 januari 2014 houdende vaststelling van kwaliteitsnormen voor vlees, ham, schouderham en van varkenslende gemaakte worst van Iberische varkens, op grond waarvan de term “Iberisch” voor in Spanje geproduceerde of in de handel gebrachte producten alleen mag worden gebruikt als de houders van varkens van het Iberische ras die een intensieve (mest)varkenshouderij exploiteren, de totale minimale vrije vloerruimte per dier met een levend gewicht van meer dan 110 kg vergroten tot 2 m2, maar waarbij eventueel blijkt dat die maatregel strekt tot verbetering van de kwaliteit van de producten waarop de kwaliteitsnormen betrekking hebben?

Tweede vraag: Moet artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens, gelezen in samenhang met artikel 12 van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling als artikel 8, lid 1, van koninklijk besluit 4/2014 [...], op grond waarvan de term “Iberisch” voor in Spanje geproduceerde of in de handel gebrachte producten alleen mag worden gebruikt als de houders van varkens van het Iberische ras die een intensieve (mest)varkenshouderij exploiteren, de totale minimale vrije vloerruimte per dier met een levend gewicht van meer dan 110 kg vergroten tot 2 m2, maar waarbij de nationale bepaling strekt tot verbetering van de kwaliteit van de producten en niet specifiek tot een betere bescherming van de varkens?

Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 12 van richtlijn [2008/120], gelezen in samenhang met de artikelen 34 en 35 VWEU, dan aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een bepaling als artikel 8, lid 1, van koninklijk besluit 4/201[4] van producenten uit andere lidstaten ter verbetering van de kwaliteit van in Spanje geproduceerde of in de handel gebrachte producten – en niet ter betere bescherming van de varkens – verlangt dat zij aan dezelfde eisen met betrekking tot het houderijsysteem voldoen als de aan Spaanse producenten gestelde eisen om voor de van hun varkens afkomstige producten gebruik te mogen maken van de verkoopbenamingen die in dat koninklijk besluit worden geregeld?

Derde vraag: Moeten de artikelen 34 en 35 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling als artikel 8, lid 2, van koninklijk besluit 4/2014 [...], op grond waarvan ter verbetering van de product[kwaliteit] een minimale slachtleeftijd van 10 maanden geldt voor varkens waarmee als “de cebo” geclassificeerde producten worden geproduceerd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZ
 

Gerelateerde documenten